petersamuel.reismee.nl

Een dag in oktober op het eiland Bali

“Selamat siang”, groet Jan Rap de enigszins rood aangelopen dikzak die met zijn lippen aan de tuit van een flesje Bintang lurkt. De befilterde sigarettenpeuk van de Belgische kettingroker rolt van de tafelrand in het zand, een donkerbruine vlek op het tafelblad achterlatend. Het is zo’n dag als alle andere 364 van het jaar, schrikkeljaren daargelaten, dan resteren er 365 dezelfde. Elk van die dagen vertoont de zon zich om zes uur in de vroege morgen en duikt de ploert van koper op het eendere tijdstip in de vroege avond zinkend snel onder. Soms kleurrijke omstandigheden aan de hemel schetsend, die kettingroker en bierdrinker Bart Stonebridge in een ver verleden heeft gekend. Niet als sportman, want dat is hij verre van en nooit geweest, dat kun je hem aanzien. Wel als zoon van een bemiddelde, invloedrijke vader, die behorend bij zijn topfunctie zijn vrouw regelmatig bedroog, zonder dat zij dat ook maar voor een zaadje vermoedde. Nog sterker, zij beweerde altijd “Zo is mijn man niet, daar ben ik niks bang voor”.

Jan Rap is de vreemde snuiter die als Nederlander Indonesië wil verkennen. Bij toeval valt hij op Bali figuurlijk in de armen van Antwerpse sinjoor. Via internet komt het duo met elkaar in contact, op initiatief van de eenzame en verlaten, niettemin originele zuiderbuur van Rap, die zonder voorbehoud met een rendez-vous aan het Balinese strand instemt. Wanneer Stonebridge zijn flesje met ster heeft leeg geslurpt, priemt hij zijn hand als bij reflex in de lucht, de ober inseinend dat hij een nieuw flesje wil. Of Rap er wellicht ook eentje lust, zal hem een zorg zijn, dat moet die snuiter zelf maar regelen. Ook Rap bestelt een biertje, voor Bart een teken alsof het ijs breekt als Arctische kap  die onstuimig in het water van de oceaan dondert. De Vlaming steekt van wal over zijn geïsoleerde bestaan op een eiland, waar hij een leven als god achter de rug heeft, maar nu onder armetierige omstandigheden dagen in en dagen uit in zijn opperste uppie zonder duppie moet doorbrengen.

Raps oren flapperen als flaporen, de golfstroom aan vertelsels van Stonebridge nieuwsgierig, verbaasd en verbijsterd absorberend. Hij komt er nauwelijks tussen. Het ene uiterst ongeloofwaardige verhaal volgt het andere soms belachelijke, dan weer bizarre en vaak banale op, als brekende ijsschotsen die nooit meer tot een organisch geheel aaneengesmeed kunnen worden.

Na een handvol Bintangs en een zandbodem vol peuken trilt de hitte aan de einder. Stille krachten verstarren, geen blad van welke waringin ook beweegt. De waarheid nadert als treurvijg het spiegelgladde oppervlak van een mer à boire.

“Melancholie en neerslachtigheid slorpen mij op”, oreert Bart, die na route 66 zijn 67-ste verjaardag niet meer ziet zitten.

“Laat de Agung spreken, laat hem uitbarsten, laat hem zijn galstenen als uitwerpselen over mij heen spuwen. Ik heb een waanzinnig leven achter de rug, met meer dan vierhonderd vrouwen aan gymnastiek gedaan, ’s ochtends, ’s middags, ’s avonds en ’s nachts, wat mij een hoop lakens, af- en goedkeuringen heeft gekost. Inmiddels slaap ik al dertien jaar zelfbevredigend. Ik heb geen cent meer over, geen vrouw wil mijn kussen delen. Moge de Agung over ons uitbarsten, mij lukt dat met geen enkel vrouwelijk wezen meer. Genoeg is genoeg, te weinig is me teveel”.

De rijzende vraag is niet óf de vulkaan op Bali uitbarst, de staande vraag is of het nog in oktober gebeurt. Bart Stonebridge wil dat maar al te graag, deo volente oftewel DV.

Nu de wil én medewerking van god nog …


vervolg Bijzondere Belg op Bali

In 1974 verlaat een Antwerpenaar de Katholieke Universiteit Leuven als jurist, deskundig in internationaal zeerecht, zeeverzekering en maritiem transportrecht. In deze discipline zijn maar weinigen zo thuis als deze zoon van een voormalig directeur-generaal van de Antwerpse haven. Zoonlief verdient een vermogen met zijn reputatie onder Griekse en Duitse reders, die aan de lopende band bij hem aankloppen voor juridische ondersteuning. Als advocaat van de Griekse scheepsmagnaat Niarchos wordt hij multimiljonair.

Als hij zijn vermogen op enkele miljoenen Amerikaanse dollars raamt, hangt hij zijn toga aan de wilgen en zegt hij na een korte, zenuwslopende carrière zijn vaderland in 1981 vaarwel. “Tijd om aangenamer oorden op te zoeken”, oordeelt de avonturier. Hij gaat jagen op avontuur, zwerft van Thailand tot Japan door Zuidoost-Azië en wordt ten slotte verliefd op Indonesië. “Een van de weinige ontwikkelingslanden zonder lege winkels, met de vriendelijkste bevolking ter wereld”.

Magazine Avenue wijdt een groot artikel aan de vrijgezelle levensgenieter onder de veelzeggende kop ‘Kuifje in Kalimantan’. Kalende Kuifje bewoont in Bandung op Java drie suites van een hotel, meldt het blad. Zijn bloedbroeder is een koppensneller, die hij jaarlijks in het oerwoud van Kalimantan bezoekt. Hij vestigt een lustoord voor sportvissers op het eiland Sumba. De Islandhopper beweegt zich tussen haremdames, drankbomen en missionarissen. De Belg van geboorte beschikt over een verblijfsvergunning voor Indonesië, het land van zijn dromen.

In Ubud loopt een pad, waar over honderdvijftig strekkende meter op vele tegels namen staan geschreven. Tegen een vergoeding die onderhoud van de weg mogelijk maakt. DIK VLEGEL BELGIA staat op zo’n tegel gegrift. Wij vragen ons af wie achter de persoon schuilt, die ons met zijn zoon in Seminyak is komen opzoeken. Het antwoord rolt spontaan, als een ware waterval, achter flesjes bier en sigaretten vandaan. Een volledige vertelling is onmogelijk, daarvoor is Vlegels saillante levensgeschiedenis te omvangrijk. Niettemin doet de Belgische oud-advocaat verwoede pogingen om zijn kleurrijke bestaan in Indonesië met ons te delen.

“Leven in Indonesië is als koorddansen”, beweert hij. “De andere, rijke, mysterieuze cultuur en mentaliteit maken het leven hier spannender dan dat in Europa. In België zou ik gedeprimeerd raken, mijn toga hangt aan de muur en ik ben nog iedere dag blij dat ik hem nooit meer hoef aan te trekken. Indonesiërs ervaar ik als het vriendelijkste volk ter wereld. Dat voel je aan de taal en esthetiek, aan de manier waarop zij je tegemoet treden. Bovendien heerst hier de eeuwige lente”.

Zijn vader zei altijd tegen zoon Dik: “Als je geld wilt verdienen, moet je zeerecht studeren. Niet uit idealisme, maar inderdaad om het geld volgt hij vaders goede raad op. Hoewel hij liever talen wilde leren en het allerliefst wilde gaan schrijven. Naar wij van deze bijzondere Belg begrijpen, is zijn vermogen als sneeuw voor de zon gesmolten. Hoe slim en intelligent een mens ook kan zijn, beleggingen kunnen kennelijk verkeerd uitpakken. Wonend in de villa van de vrouw, waarvan hij inmiddels is gescheiden, volgt hij zijn grote interesse, het schrijven van boeken. Daarvan heeft hij in het Nederlands en Engels proeven van bekwaamheid in de vorm van uitgegeven edities afgelegd.

Aan het eind van ons gesprek vraag ik de auteur zijn biografie van Han Snel te signeren. Met een streep van een handtekening eronder noteert hij met genoegen ‘Aan Peter en Erna, ter herinnering aan onze aangename ontmoeting’.

Woensdagmiddag 6 september 2017 heeft ons op Bali met een bijzondere Belg in aanraking gebracht. Staat zijn naam in Ubud in een straattegel vereeuwigd, zijn biografie mag naar mijn mening ook worden geschreven. De levensloop van Dik Vlegel maakt zo’n uitgave zonder twijfel zeer de moeite waard. Op basis van wat ik allemaal heb gehoord en gelezen, zou ik mij met plezier aan de klus wijden. Helaas krabbelt de Vlegel terug van zijn eerder gedane toestemming om mij zijn levensverhaal te laten schrijven. Dat stelt mij teleur, want ik had het karwei graag met verve uitgevoerd. 

To be or not to be, fiction or non-fiction? De vraag stellen is hem beantwoorden.



Bijzondere Belg op Bali

Over onze eerste reis naar Indonesië - Java, Bali, Lombok - beschrijf ik vooraf de lokroep van de ‘Smaragden Gordel’. Mijn zomerse voorbeschouwing op de nakende trip in augustus en september 2017 resulteert als gewoonlijk in reacties van trouwe blogfans. Midden juli meldt zich een mij onbekende buitenstaander aan met een intrigerend onderschrift. Ene Justin schrijft:

… In Ubud vind je het huis en de kunstgalerij van Han Snel. Deze Nederlandse kunstschilder (1925-1998) woonde en werkte gedurende een halve eeuw op het Indonesisch eiland Bali. Lees over zijn biografie op www.amazon.co.uk/Han-Snel-Kunstenaar-Avonturier-Levensgenieter. De auteur, een bijzondere Belg, die sinds 1983 op het eiland Bali woont, was een vriend van de kunstenaar. Van Han Snel bestond nog geen biografie, dit boek vult deze leemte aan. Het verhaal begint met Han Snels jeugd in Scheveningen, zijn belevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog en zijn gedwongen vertrek als dienstplichtig soldaat naar Indonesië. De lezer krijgt een inkijkje in de woelige jaren van de jonge Indonesische Republiek, hoe Han Snel deze tijd overleefde en een beroemd artiest werd.

Grondstof voor het boek is door de auteur uit de mond van Han Snel in uitgebreide interviews opgetekend. Daarnaast leverde Hans weduwe Siti Snel, nog steeds op Bali wonend, de nodige informatie …

Nieuwsgierig als altijd naar leesvoer over het land waarheen ik reis, contacteer ik mijn onbekende bloglezer via e-mail. Hij reageert uitermate positief en wij komen tijdens onze reis tot een ontmoeting. Het intensieve reisprogramma bevat een driedaags verblijf in Seminyak op Bali, met ruimte voor eigen invulling op de laatste dag. De biograaf van Han Snel is bereid om, met zijn zoon als chauffeur, rond het middaguur vanuit zijn woonplaats Denpasar naar ons hotel te komen. Aan het strand zoeken we een tafel met zicht op zee in een van de vele paviljoens. In een ontspannen, haast familiair intiem gesprek - deels Nederlands, deels Engels (zoon spreekt Engels en Indonesisch, geen Nederlands, hij verstaat tevens Balinees en Soendanees), ontvouwt de vader (66) zijn levensloop in openhartige ontboezemingen aan ons.

Ruim vier uur lang is de rondborstige, dikbuikige gezelligerd met ons in gesprek. Als kettingroker, die een biertje niet schuwt, de ene sigaret na de andere aanstekend. Dat roken slecht voor de gezondheid is, beoordeelt de voorhene rechter en advocaat als aperte onzin. Zijn vader was ook een zware roker en die is 100 geworden! Ons tegengeluid wordt met een volgende sigaret uit het bijna lege tweede pakje van de dag - twintig stuks per pakje - weggewist, terwijl hij de ober in bahasa Indonesia roept voor een volgend flesje Bintang.

Wordt zijn bijna twintig jaar geleden overleden vriend Han Snel door onze nieuwe vriend tot levenskunstenaar bestempeld, over zijn eigen leven vol avontuur raakt hij met uiterst boeiende beschouwingen niet uitgepraat. Tot we op de klok kijkend ontdekken dat de middag onverwacht snel is omgevlogen. De innemende verhalenverteller kijkt zijn 22-jarige zoon liefdevol aan en besluit om de thuisreis door het drukke verkeer naar Denpasar te aanvaarden. Wij keren zeer onder de indruk van bijzondere verhalen naar onze hotelkamer terug, waar ik de aangeschafte biografie van Han Snel in één adem uitlees.

Leven als god op het eiland Bali in Indonesië, zou ik dat ook … willen, … kunnen?


(wordt vervolgd)

Recensie ‘Rob van Gennep, Uitgever van links Nederland’

In de jaren 1970 volg ik de parttime opleiding personeelwerk van de Sociale Academie aan het Karthuizerplantsoen in Amsterdam. Vier jaar van kritische ‘linkse leescultuur’ en veel socialistische theorie over klassenstrijd en arbeidersbeweging. Daarin spelen uitgaven van de Kritiese Bibliotheek van ideologisch bevlogen uitgever Rob van Gennep ook een rol. Dat Van Gennep een icoon was, die wist wat in de turbulente linkse wereld speelde en een stempel drukte op de opinievorming in Nederland, ben ik mij vier decennia geleden niet eens zo bewust.

Kortgeleden reageer ik - als in een reflex wakker geschud - op de gelegenheid via Uitgeverij Atlas Contact om de drukproef van het boek ‘Rob van Gennep, Uitgever van links Nederland’, geschreven door Geke van der Wal, te recenseren. De biografie zal in augustus a.s. verschijnen. Iets meer dan driehonderd pagina’s geven mij een royale inkijk in de handel en wandel van een man, die een feilloos gevoel voor de tijdgeest met een praktisch koopmansinstinct combineert.

Geke van der Wal heeft met haar biografische boek in mijn ogen monnikenwerk verricht. In een kleine dertig hoofdstukken beschrijft zij de jeugd van een mooie jongen, die naar een artistiek leven verlangt, met Johan Polak de uitgeverij Polak & Van Gennep start, vervolgens met Jaap Jansen als Uitgeverij Van Gennep verdergaat en er daarnaast - waar haalt hij de energie vandaan, vraag je je af - een vrij uitgebreid liefdesleven op nahoudt. Rob van Gennep blijkt met zijn krachtige persoonlijkheid geliefd én gevreesd. De schrijfster haalt diverse voorbeelden naar voren, waarin hij enerzijds de charmeur is en anderzijds mensen hardvochtig afserveert.

Vele jaren is Rob van Gennep de legendarische uitgever, die in de woelige jaren 1960 en 1970 links van lectuur voorziet, die ook bij mij in de boekenkast stond. Als bekende linkse Nederlander is hij bezeten van zijn vak, maar oud is hij niet geworden. Op 5 mei 1937 in Wassenaar geboren, op 13 april 1994 in Amsterdam aan de ziekte ALS overleden. Zijn korte, intense leven, prettig leesbaar beschreven, bestaat uit de boekenwereld, waarvoor, waarvan en waarop hij leeft. Over zijn ‘oude dag’ maakte Van Gennep grapjes. 

“Dan wil ik een boekenstalletje op de Dam. En maar roepen: boeken!! boeken!!”. 

Dat heeft hij helaas niet mogen beleven.

         

Geke van der Wal schreef een kleurrijk levensverhaal over een markante uitgever, boekverkoper en oprichter van een modern antiquariaat. Een verhaal dat mij zodanig boeide en meesleepte, vooral terug naar de revolutionaire jaren zestig van de vorige eeuw, dat ik het in één adem heb uitgelezen. Ik ben ervan overtuigd dat mijn generatie- en studiegenoten - inmiddels zeventigers - deze biografie met evenveel genoegen zullen verorberen.

Tijdje Tenerife, terug

Ik stap een donker hok binnen. Onmiddellijk flitst Lola het lampje aan via een knopje aan de buitenzijde. Precies op tijd, want ik stap bijna in het Franse wc-gat. Nu weet ik mijn voeten op de porseleinen exemplaren te posteren. Twee emmertjes water staan naast me in de wacht. Lekker blijven staan, denk ik. Ik hoef alleen zelf te wateren, wissen van remsporen is gelukkig niet nodig.

Erna moet, net als Lola, het klatergoud hebben gehoord, want ik heb de deur op een kier laten staan. Handen wassen kan buitengaats, bij een los geplaatst lavet van wit aardewerk, ook in de ‘huiskamer’. Mijn handen weiger ik af te drogen aan de ernaast hangende blauwe handdoek. In de hoek zie ik Lola in haar piepkleine keukentje druk in de weer. Twee blauwe gasflessen beletten haar haast om haar werk te verrichten. Zij weet echter niet anders en gaat onverstoorbaar haar gang. Primitiever omstandigheden zijn bijna niet mogelijk.

Ik keer naar onze tafel terug. Naast elkaar zittend naar buiten kijkend onderwerp ik ook de vergeelde, verschoten zwartwit foto van het haventje van Garachico, dat aan de muur hangt, aan een nadere beschouwing. Dat zijn nog eens vervlogen tijden. Mijn ogen reizen langs de muur naar het plafond, waar ik de elektriciteitsmeterstand aflees. Toch nog iets te lezen, zonder menu- of wijnkaart, laat staan prijsaanduiding.

Voor Lola onze soep naar tafel brengt, heeft zij eerst haar totale bestekvoorraad in een emmer op de andere klep van de diepvrieskist geplaatst en een geschikt couvert geselecteerd. In een gekreukeld servetje gerold legt zij de pakketjes plompverloren bij ons bord in de buurt, bijna struikelend en een schoen verliezend.

“Ay, ay, ay, la zapatillo de la Reina”, grap ik de Spaanse tekst die ik mij van het paneeltje bij de rotsformatie van de Teide onderweg herinner. Lola lacht een tand bloot.

Onder het slurpen van de soep, waaraan voor ieder van ons een stukje onbestemd vlees is toegevoegd, passeren enkele auto’s aan onze vensterbank voorbij. Aan de overkant, op een meter of drie, kijken we tegen een hoge grijze deur met bordes aan. Drie treden witte steen om daar naar binnen te gaan. Op de treden gaan opeens drie Spaanse jongetjes zitten. De twee op de flanken dragen boven een rood shirt een pikzwarte, kortgeknipte haardos. Tussen hen zit een bedeesd manneke ingeplet. De rode shirts showen een grote letter B op de borst. Een van de twee chico’s heeft een maf oranjegeel brilletje om zijn computerspelletje goed te kunnen volgen, waar het middelste jong geen snars van begrijpt, ten minste aan zijn gelaatsexpressie af te lezen.  Het andere rode shirt, senor wizkid himself, kent de computeroplossingen als de beste.

Ondertussen tokkelen hun ouders in onvervalst Spaans over de opvoeding van hun spruiten. Hun verhaal van en op de straat neemt een stief kwartiertje in beslag, terwijl de knulletjes braaf met hun nintendo spelen. Wij stoeien braaf met de graten van een zeebaars. 

“No gracias, no postre”, melden we Lola.

Señora Lola alias Dolores weet onverwacht raad met haar ongeschreven tarieven, als gerant is zij verre van antiek. Dat was ze slechts als chef-kok, als kwam ze uit lang vervlogen tijden voort. Een authentieke tipico Canaria-ervaring is ons ten deel gevallen.

Onze buurtjes gaan op hun laatste dag in de buurt van Erjos wandelen, niet al te ver van Garachico vandaan. Wij doen het - met nog een paar dagen voor de boeg - ook rustig aan. We bezoeken opnieuw Buenavista del Norte, waar we de enige niet-eilandbewoners zijn, maar waar verder weinig beweging valt te ontdekken. We keren pardoes op onze schreden terug naar Los Silos, waar het op het centrale pleintje een tikje levendiger is. Voor de ‘servizio’ moet je een stukje rondwandelen, door de ingang tegenover de kerk, een patio schuin oversteken, door de deur met het paarse bordje ‘Aseo’, en dan kiezen of je bij de op de wc-deur geplakte markies of markiezin naar binnen stapt.

Een grote rij kindertjes op de binnenplaats, in tweetallen hand in hand opgesteld, Spaans gekrulde schalkjes gekoppeld aan lachende madammekes van ongeveer een meter hoog, worden door een paar juffen en de schoolmeester de bibliotheek binnengesluisd. Ze zijn met twee touringcars gekomen, spannende avonturen dus voor deze naar schatting vijf-, zes-, zeven- en achtjarigen.

In de bibliotheek mogen wij gratis internetten, zo lang we maar willen. We zijn van harte welkom, Los Silos groet ons in het bijzonder. Wat een heerlijk ongedwongen sfeertje in dit houten ‘paleis’ van cultuur, waar kantoordeuren gewoon openstaan, of de achterliggende werkruimte nu bemenst is of niet. Terwijl wie dan ook van buiten zo naar binnen kan wippen. Overigens zijn toeristen in Los Silos op de vingers van een hand te tellen. Hoe lang nog?

Zonder bijgeloof trekken we er op vrijdag de dertiende op ons gemak op uit om in eerste instantie Bajamar en Punta del Hidalgo met een bezoek te vereren. Deze twee kuststadjes, die vier kilometer uit elkaar liggen, vormen een vreemd, gedateerd, dus oud vakantieoord aan de noordkant van het Anaga-gebergte. De stadjes zelf, die wel aan een facelift toe zijn, staan tamelijk vol appartementen en zielloze hotels. Toch hebben zij ook iets fascinerends. Golven slaan stuk op zwarte vulkanische rotsen, waar diepe grotten op holle ogen lijken. Niets lijkt hier op een strand, behalve het bescheiden zwarte strandje bij Bajamar, de plaatsnaam die ‘beneden bij de zee’ betekent. Op de achtergrond verrijst het machtige Anaga-gebergte.

Het Anaga-gebergte is via een smalle weg vol haarspeldbochten toegankelijk. Op enkele uitkijkpunten zien we ontoegankelijke eilandjes voor de kust, waar ettelijke vogels nestelen. Het berglandschap en dichte laurierbossen maken een imposante indruk. Op via de weg onbereikbaar lijkende plekken liggen verlaten gehuchten met verwaarloosde akkers op terrassen. Geitenhoeders in dikke wollen kleren trekken met hun kleine kudde en hun honden via smalle paden door de bergen. Zo nu en dan wordt de stilte doorbroken door geschreeuw van konijnenjagers en het knallen van hun geweren.

Punta en Puntero

De weg langs Bajamar houdt bij Punta del Hidalgo op. Hier kun je alleen te voet verder, wat wij niet hebben gedaan. Het meest curieuze dat hier te zien is, zijn de ‘piscinas naturales’, de natuurlijke baden die uit de rotsen zijn gehakt, zoals we die ook kennen van onze thuisbasis Garachico. Op een stormachtige dag kun je erin gaan zitten en slaan de golven over de rand, terwijl je rustig een bad neemt. Ben ik even blij dat we geen zeep hebben genomen. In deze hoek staat inderdaad altijd veel wind, met schuimkoppen op de oceaan.

De twee vakantieoorden Bajamar en Punta del Hidalgo ogen rustig. Het landschap om alle bebouwing heen is indrukwekkend.

Het rustige Punta del Hidalgo met ongeveer duizend inwoners ligt op de kuststrook aan de voet van de westelijke Montañas de Anaga. Aan het einde van de asfaltweg, die in een rotonde uitmondt, krijg je vanaf een soort uitkijkpunt een eerste indruk van het gebergte dat door kloven is doorsneden. Aan de rotsachtige oostkant, die tot voor kort onbruikbaar was, heeft men nieuwe grond opgebracht en bananenplantages gerealiseerd.

Aan de kust staat een hoog, modern monument voor zeelieden. Niet ver daarvandaan ligt, ver weg van alle drukte, een zwembad aan zee. Aan de rand van Punta del Hidalgo staan in de buurt van de rotonde enkele monumenten ter herinnering aan volksmuzikant El Puntero, een bekende inwoner. Hij woonde in een landhuis aan de voet van twee hoge rotsen, die Dos Hermanos (‘Twee broers’) heten. Hij nodigde vaak andere muzikanten van het eiland uit en de muziek die zij samen op de patio van zijn huis maakten genoot tot ver in de omtrek bekendheid. Vooral op feestdagen herleeft hier de herinnering aan El Puntero.

Alvorens bij het standbeeld van Sebastián Ramos - alias El Puntero - te zijn aangekomen, passeren wij eerst het standbeeld gewijd aan de Canarische muziekgroep Los Sabandeños. We spreken hierover met twee meiden van de plaatselijke VVV, die qua entree op een onooglijke manier onder El Puntero is gelegen, maar we vinden de toegang toch, anders dan twee andere bezoekers die vertwijfeld doorlopen. Een van de hostesses - het valt inmiddels op en te raden - spreekt een redelijk verstaanbaar woordje Nederlands. Zij heeft in Duitsland gewoond en luistert dan ook naar de klinkende naam Mercedes. Ze heeft er lol in om ons over van alles en nog wat te informeren, niet alleen vertellend, maar ook de fraaiste brochures uitdelend. Bovendien schept ze er genoegen in om ons, naar onze landsaard, toe te voegen: “Alles gratis!”.

Ik kan het niet laten om onnozelheid voor te wenden: “Alles gracias?”.

Op aangeven van Mercedes besluiten we bij Café Melita een kopje koffie met Duits gebak te nuttigen. In de pastelsfeer van het café kijken we in de diepte op de oceaan uit. Alles ademt hier Duits, de uitbaatster is Zwitsers en er wordt veel Nordic gewalkt.

Rond etenstijd, zo kwart voor enen, bevinden we ons op de Mirador de Jardina.

Jammergenoeg is er veel bewolking, toch kijken we de Teide recht in zijn gezicht, dat zware wolken boven zich moet dulden. Aan zijn voeten in het dal strekken zich Lego-blokkendoosjes van vooral La Laguna en ook van Las Caneteras, Las Mercedes en westelijker gelegen Tegueste zich uit.

In Tegueste zoeken wij vergeefs naar de glasmakerij, Erna’s hobby. De hoofdstraat bereidt zich op een enorm dorpsfeest voor. Op het centrale plein staat een podium met een werkelijk gigantische licht- en geluidsinstallatie. De laatste hebben Spanjaarden volgens mij echt niet nodig, getuige het Spaanse stel dat ik mij naast ons herinner in de rustige sfeer van Café Melita. Wat kunnen die lui een kwebbelkabaal produceren.

Het wordt langzaam frisser. Net als boven de Teide hangt nu ook boven ons hoofd op de Mirador een donkerzwangere wolk. Ik voel vijf druppels. Het is heel geinig om het dorpje Jardina links beneden te zien liggen. Een stuk of twintig Legostenen, meer niet: geel, grijs, blauw, beige, roodachtig bruin, donkerbruin. Kanaries geven een doorlopend concert, zoals honden in elk dal tevens hun nooit eindigende blafsymfonie weerkaatsen. De hoge heidebomen kruipen naar het hek waar we vóór staan. We zien volop grote margrieten met witte blaadjes en gele kern. Een bos faya's en arrebol lacht ons uitbundig toe. Een eenzame jogger stampt zwaarmoedig en zwaarlijvig, echt waar, over het asfalt de haarspeldbochten naar beneden. Waar heeft hij zin in?

Ik heb zin om een gedicht van Fernando Garciarramos, gedateerd 19 oktober 2005, te noteren. Het heet Anaga Senderos de Poesía:

Un horizonte de montes

Encierra al Valle de Aguere

Para tenerlo consigo

Y con los mares no sueñe,

Mas cuando el verano en saya

Su canción incandescente,

Cuando el Solsticio explosiona

La Laguna, de repente,

Tal un vivo resplandor

Se enamora y se estremece

Y cuando la pasión termina

Y el fuego su fuerza pierde

Las torres despliegan

Sobre las calles silentes llantos,

Los charcos copian

Memorias

Y luego desaparacen

Y en los aleros anida

El frío azul de diciembre.

Tanto ahora como ayer

Siempre la lluvia acontece

Y, tras las nubes, el sol

Es un reclamo perenne.

Sendero que lleva al mar

No morirá para siempre.

Vivirá en el infinito,

Vendrá con la luz naciente

Como la ola vendrá

Al litoral nuevamente.

Canta el verano en la mar

Su canción incandescente,

Y La Laguna, de nuevo,

Se enamora y se estremece.

Ik begrijp heus niet alle Spaanse woorden. Maar dat het gedicht mooi is, over bergen, zee, winterkou en voorjaar, is mij wel duidelijk.

Even verderop ligt het ‘Kruis van Carmen’ - Cruz del Carmen - op 920 meter hoogte, vol glassplinters van gebroken autoruiten. Zo ook op Pico Ingles, waar het door ons vermoede restaurant niet is. Dat is bij Carmen.

Teruggaande van Pico Ingles naar La Laguna slaan we het Kruis van Carmen over, genieten we onderweg van het bomenbladerdak dat aan La Palma doet denken, en landen we, hoewel het vrijdag is, in Casa Domingo te Las Mercedes.

Prominente palm en kleine kereltjes

Hoewel de ober van Casa Domingo z’n vreselijkste best doet in z’n beste Spaans - CD te LM is ten slotte een chic restaurant -, valt hem heel lastig uit te leggen, laat staan te bevragen, dat we en wat we willen eten. Twee kanariepieten doen hun uiterste best mee te orakelen. We komen uiteindelijk uit op een ensalada mixta en twee keer morcilla dulce de Tenerife met een beetje pappas fritas.

Door de glazen wand kijken we vanuit een loge op een mengeling van bomen met in hun midden een prominente palm, waarlangs ons gezichtsveld op het uitgespreide huizendek van La Laguna neerdaalt.

(San Cristóbal de) La Laguna, circa twaalfduizend inwoners, wordt in 1496 gesticht door Alonso Fernández de Lugo, nadat hij Tenerife heeft veroverd. Hij roept de stad uit tot de hoofdstad van het eiland en kiest haar als woonplaats. De schaakbordachtige indeling van de straten is later vaak nagevolgd in de Nieuwe Wereld, als daar tal van steden worden gesticht.

La Laguna ligt op een vruchtbare hoogvlakte tussen de Montañas de Anaga in het oosten en de Cumbre Dorsal in het westen. De stad is aan de oevers van een meer gebouwd (de naam verwijst hiernaar), maar niet lang daarna verdwijnt het water. Recentelijk zijn er plannen opgevat om in de nabije toekomst op dezelfde plek een kunstmatig meer aan te leggen. Volgens koninklijk besluit krijgt La Laguna in 1816 een universiteit - tot voor kort de enige van de Canarische eilanden. In 1818 wordt La Laguna bovendien een bisschopsstad.

In 1822 verliest La Laguna haar positie als hoofdstad van het eiland, maar ze heeft haar plaats als spiritueel en religieus middelpunt van de archipel behouden. Het oude deel van de stad is omgeven door nieuwbouw en industrieterreinen, maar het oude centrum met zijn rechthoekige stratenplan heeft zijn middeleeuws aandoende karakter bewaard. 

In december 1999 is La Laguna door de Unesco tot werelderfgoed verklaard.

Wij zijn eigenlijk best onder de indruk van onze rit naar het Anaga-gebergte. Fantastische vergezichten lijken La Laguna aan Santa Cruz te plakken, bedrieglijke schijn door de donkere berghellingen, waarachter in de verte de oceaan zich verschuilt. Van het beruchte noorder vliegveld - bijna veertig jaar geleden de grootste ramp in de burgerluchtvaart - stijgt een Boeing 747 op.

Santa Cruz is te herkennen aan haar cultuurtempel ‘Auditoria de Tenerife’, uit de verte enigszins gelijkend op het Opera House van Sydney. Het ivoorwitte gebouw in Heilig Kruis laat je door z’n opvallende vorm twijfelen of het een agaveblad, een vleugel, een kromme snavel, de vin van een vis of het dwarsblad van een strelitziabloem voorstelt. Dit ontwerp van de Spaanse architect Santiago Calatrava Valls, afkomstig uit de buurt van Valencia, biedt jaarlijks onderdak aan het muziekfestival van de Canarische eilanden.

NB1: Op de wc-deur van CD te LM lacht een mannelijk Picassogelaat mij vrolijk toe. Ik kan als het ware in de diepte wateren, de plasbak hangt namelijk flink onder kniehoogte. Spanjaarden zijn inderdaad kleine kereltjes.

NB2: We zitten in het rookgedeelte van restaurant Casa Domingo. Het gedeelte voor niet-rokers is afgesloten, die ruimte oogt trouwens zeer ongezellig. Gelukkig krijgt onze buurtafel bezoek van de pater, met liefst vijf nonnetjes aan zijn zijde.

“Die zullen hier toch niet roken?”, gist Erna zachtjes in mijn richting.

“Niet onder hun kapje vandaan”, reageer ik.

Erna benadrukt: “Dit is een chic restaurant, hoor”.

Chic, maar wel fris, mede door de betegelde vloer en terrasbalkondeuren die open staan. Onze bestelde salade ziet er in ieder geval pico bello uit, de morcilla dulce verrassend: per persoon zeven zoete bolletjes met amandelschaafsel erin, luchtig gerold, in een donkerrode bietjeskleur. Behoorlijk dulce, zeer zoet dus. Het smaakt wel, de vraag is echter hoeveel van de zeven je op kunt zonder misselijk te worden. Eigenlijk is het een vreemde combi: gemengde salade, zoete ‘gebakjes’ en patatjes.

Ik werk zeven op zeven bolletjes naar binnen, als een echte Hollander. Erna uiteindelijk toch ook zes van de zeven. De salade gaat naturalemente schoon op, de patatjes bijna en de twee additionele broodjes voor driekwart. We kunnen er weer tegen, zegt de ene bolle wang tegen de andere.

Geen glasblazer en geen geld

Op de terugweg moet en zal Erna de glasblazerij van de Oostenrijker Gustl Letonja in de Calle Calvo Sotello 44 van Tegueste aandoen. Hij vervaardigt allerlei soorten glas, van Tiffany-klassiekers en modern tot tafels en lampen. Volgens ons reisgidsje kunnen we hem op vrijdag of zaterdag van 10.00 tot 18.00 uur aan het werk zien. Wel, we vinden het adres op vrijdag de dertiende rond half vier in de middag. De enige persoon die wij in het dorp ontdekken om de weg aan te vragen, is een oudere dame die niet uit Tegueste komt. Zij haalt haar schouders dus met verbazing op haar gezicht heel hoog op. Op eigen kracht zijn wij tot veel in staat. We lopen zo op die Calle af, het straatnaambordje hangt om de hoek. Voor nummer 44 moeten we een lichte, lange afdaling maken. 

Ter plekke aangekomen zien we geen glas- maar ijzerwerk dat neerhangt voor de etalage. Op een briefje staat aangegeven: vakantie van 9 tot 17 april. We vermoeden dat onze glasblazende vriend naar Tirol is, onwetend van de hoempa- en heisamuziek in zijn eigen woonplaats, die voor het aankomende feest al op vol volumen aan staat. Ons rest www.artisglas.com te noteren, voor de volledigheid.

Verder valt in Tegueste niets te beleven, zelfs de geldautomaten van de Cajas Canarias geven tot drie keer toe niet thuis. Geen verbinding met de computer in Holland, jokken de siësta houdende bankfiguren. Dus racen wij gauw naar Garachico, waar dezelfde Caja Canaria simpel en snel de gevraagde hoeveelheid euro’s uitspuugt, zodat we onze weekendboodschappen eerst in de auto en daarna in huis kunnen halen.Om kwart over vijf vallen we onze schoongemaakte finca-woonruimte weer binnen. De langste dag tot nu toe zit erop, zowel in uren gezien als in 158 kilometers.

Jachten en jagen

Opnieuw schijnt het zonnetje vrolijk. De wind is gaan liggen. Erna oppert een briljant idee: wandelen naar La Villa de los Silos, drie kilometer, dus hooguit drie kwartier. De route is langs de asfaltweg, waar een kleine meter brede betonstrook voor voetgangers naast ligt. Het pad leidt langs de bananenplantages, rechts daarachter de blauwe oceaan, links - in de schaduw - donkere koppen van grillige hoge rotspartijen, alsof zwijgende gorilla’s het schouwspel aan hun voeten bekijken vanuit hun ingevallen ogen, die net als hun neusgaten door grotten en holen in hun gelaat worden verbeeld.

Opeens klinkt in de bergen een luide knal, die vier, vijf keer doorgalmt. Jagers op pad, concluderen wij. Op welk wild zullen zij jacht maken? Erna danst voor mij uit, het zonnetje brandt in onze nek. Aan de bananenbomen hangen grote kammen, soms in grijs of blauw plastic verpakt, om te rijpen. Erna geniet van gele mimosa, van witte oleanders, en van de zachtroze en roodroze. Een prachtige ficusboom trekt aandacht. ‘Mooi voor onze tuin’, zie ik haar denken.

Op een bankje langs de weg, de hoge muur van een bananenplantage in hun rug, zitten twee gebruinde oudere mannen, amper tanden in hun lachende gezichten. Met Spaanse humor verwoorden zij waardering voor de passerende wandelaars. Waarom zij daar zitten is niet duidelijk. Langsrazende auto’s kunnen toch niet boeien? Of zitten zij er voor de af en toe langsscheurende Schumachers of Rossi’s? Wellicht voor de diverse ciclista’s, sommigen in groepjes bijeen, anderen solo op hun glimmende racefietsjes. Een van die sportievelingen passeert ons in geel shirt, blauwe fiets en blauwe helm voor de vierde keer. Denkt hij soms dat ik wielerscout ben, op zoek naar talent? Of wil hij Erna eens goed bekijken, heeft hij een rondemiss nodig? Of heeft hij gewoon een vaste route met zijn beperkingen, heen en weer?

Bij iedere voetstap schieten kleine en grote hagedissen schielijk de veiligheid van de spleten tussen de rotsblokken binnen. Ze zijn ons na een kleine twee weken nog steeds niet gewend en zoeken razendsnel beschutting als we te dichtbij komen. Bij Finca Amarilla stap ik het houten, openstaande deurtje in de stenen muur door, om de bananenbomen geelgetint vocht te bedélen. Tijdens het klateren hoor ik links en rechts geritsel van bladeren, waaronder de hagedissen van hun eenzame rust genieten.

Witte huisjes schitteren in de zon, ook hoog in de bergen. Is dat plukje Erjos, zijn we daar langsgereden op weg naar Masca? We weten het niet, oriëntatie is lastig.

Vlak voor het bord Los Silos ligt het zwarte gravelveld van de voetbalclub in La Caleta, pal langs de weg, wel met begaasde omheining tot meer dan manshoogte. Voor het hek staan drie Spaanse mannen de werkzaamheden van twee gebukte arbeiders gade te slaan. Het duo is bezig een donkergroen kunstgrasveld aan te leggen. Het ziet er gelikt uit, daar zal spoedig fanatiek op gespeeld kunnen worden. Waar een deel van het veld al gereed is, wordt het gerold en natgespoten.

Concert of cumpleaños

Iets verderop is een picknickplaats, waar twee Spanjaarden op leeftijd vrolijk lachend als kok optreden. Diverse tafels staan in de schaduw van uitwaaierende laurierbomen, die als parasols fungeren. Op de tafels staat het een en ander uitgestald, vooral flessen met drank en bronwater. Uit brandende roosters stijgen rookzuilen op, de barbecue met veel vlees functioneert prima.

“Cumpleaños”, roept een van de twee naar ons. “Of wij alvast een stukje vlees willen proeven?”. 

Het is nog geen elf uur.

“Eerst koffie”, beduiden we. “Wij komen uit Holland”.

“Ah, Holanda!”. 

De mannen bereiden het verjaardagsfeest van een dochter voor. Laura wordt vandaag achttien jaar. Er komen zo’n veertig gasten, vooral familie.

We zijn benieuwd naar onze terugtocht, als we hier opnieuw passeren.

La Villa de los Silos heet ons welkom met bloeiende geraniums. Aan de dorpsentree staat ook een levensgroot bord - witte driehoek met rode rand -, waarin een voetganger op een zebrapad oversteekt. In de auto rijd je er zo voorbij, als voetganger valt het des te beter op. Dat zou toch andersom moeten zijn?

Los Silos bruist op zijn manier. De luidspreker van de rondtoerende dorpsomroeper kondigt van alles en nog wat aan. De bibliotheek is zaterdags helaas gesloten, geen mogelijkheid tot internetten dus. Plaza de la Luz loopt vol Spanjaarden die van machinale muziek genieten, groepjes jongens en vooral veel ouderen, de Spaanse mannen voorop.

Wij genieten mee met koffie en cerveza Dorada de la grife, een tapbiertje voor mij. Morgen doen we onze wandeling nogmaals om het concert van de Agrupación Musical de Garachico vanaf 12.00 uur op de Plaza bij te wonen.

“Otra ronda?”, roept de camarera begrijpend uit, wanneer we op afstand gebaren nog een kopje koffie en glaasje bier te willen.

Huiswaarts lopend slaat de kerkklok zijn twaalfde slag. Voor even valt dan stilte in. Opeens, vlak voor de rotonde, staat Calle del Olivo in vuur en vlam. Het plaatselijke voetbalteam is kampioen geworden. Zo’n vijftien auto’s in file, gevuld met juichende spelers en supporters, blauwrode vlaggen uit de raampjes zwaaiend, toeteren ons de oren van het hoofd.

“Voetbal, overal hetzelfde”, constateert Erna. Met recht.

Voorbij de rotonde zwaait een half dozijn statige palmen ons deftig uit. Plechtig gebaar.

Het verjaarspartijtje is nog niet in gang gezet, vlees en aardappelen zijn wel gaar. Enkele nieuw aangekomen familieleden dekken vast de tafels, waarboven de nodige veelkleurige ballonnen zijn opgehangen.

Op een tekstbordje lees ik ‘Prohibado jugar la pelota’. De tip lijkt mij meer dan verstandig, want als de bal de weg op rolt, doet zich een dikke kans voor dat je er bent geweest. Dat blijkt even verderop als een lokale ‘loco’ werkelijk knallend knalhard komt aanscheuren. Wanneer hij ons op een recht stuk in een flits passeert, komen wij net langs een tegen de bananenmuur geplaatst gedenkteken. In een uitgedroogde glazen pot staat een vergrijsd houten kruis met verschrompelde bloemen. 

Ik gun de langsscheurende malloot het eerstvolgende memoriaal, aan hemzelf gewijd, hopelijk zonder dat hij een ander slachtoffert.

Campo Municipal van La Caleta de Interián is bijna klaar. Slechts de groenstrook voor de grensrechter moet nog worden aangebracht, en het lijnenspel. Dubbelzijdig plakband wordt uitgerold. Hier ontstaat een speelveld voor nieuwe kampioenen, het veld ligt er uitmuntend geknipt bij.

“Por los chicos”, lacht een voorbijganger tevreden.

La Caleta kent geen damesvoetbal.

De ‘gorilla’s’, omringd door wolken, ogen een stuk gemoedelijker. Als wij Garachico binnenwandelen fluit een minimusje op een kale boomtak zijn welkomstsonate. De stilte valt vervolgens in en heft zich ogenblikkelijk op wanneer ‘Hells Angels’ van Tenerife langsdenderen. Ik tel er 25 in gelid over de volle weghelft, niet naast maar steeds schuin achter elkaar. Wat kan de bovenwereld toch een herrie maken!

Voor wij bij ons optrekje arriveren, komt nog een achtergebleven engel met enorm hoog stuur voorbij. Zijn decibellen zijn te verteren.

Twee biertjes op het plein van Los Silos brengen mij niet het licht, want ik ben glad vergeten dat ik tussen 12.00 en 13.00 uur onze terugvlucht wil reconfirmeren. Gelukkig is Erna met twee koffie achter de kiezen helder van geest. Net op tijd krijg ik onze hostess van Parasol Service in Playa de las Américas aan de lijn, die meedeelt dat onze terugreis zonder wijzigingen op de rol staat. En passant legt zij uit dat Las Brujas, ons honk in Garachico, staat voor ‘de heksen’.

“Blij dat u dat nu pas zegt”, reageer ik, “maar we hebben het tot nu toe heel goed naar onze zin”.

Die slotopmerking is vooral gebaseerd op de wetenschap dat wij zo ‘bij onze buren’ (die van het restaurant) kunnen aanschuiven. La Ribamar Restaurante: net na enen zijn we de eersten. Dit keer bestellen we bij onze vriend geen ‘Parillada de pescado’ voor twee, maar ieder voor zich kiest voor een entrecôte, naar bij opdienen blijkt van reusachtig formaat. Terwijl Erna eerst nog een soepje vooraf neemt en ik mosselen à la plancha.

Deze laatste zaterdag kan niet meer stuk. Vanmiddag besluiten we heerlijk op ons terras van het zonnetje te gaan genieten. In die mooiste zonnige namiddag dalen parapentevliegers langs de bergkammen draaiend voor onze ogen uit de puur blauwe hemel tot bijna aan onze voeten. De wereld kan wel mooi zijn.

Van onze laatste domingo op dit eiland zullen we beslist een rustig dagje maken. Dezelfde lucht, dezelfde zon, dezelfde wandeling als gisteren. Kuierend langs de snelweg naar Los Silos, hopelijk minder druk bevolkt met verkeer dan gisteren. De zee voor onze neus kent op deze vroege zondagmorgen wel spitstijd: diverse vissersbootjes dobberen rond om een zondags maal boven water te tillen.

Om 12.00 uur begint op Plaza de la Luz het Concierto van Banda de Música de la Asociación ‘Agrupación Musical de Garachico’ onder leiding van Director Antonio Jesús Gutiérrez de León. Met zo’n aankondiging kan het concert volgens mij al niet meer stuk, al staan op de affiche overwegend mannen afgebeeld, zonder instrument. Met m’n leesbril op ontwaar ik een paar dames tussen het totaal van veertig musici.

Maar ja, nergens staat mannenkoor vermeld, hoewel zij allemaal keurig in het pak steken, daar niet van. Allemaal mét stropdas, geen Woutertje te bekennen in het bos muzikanten. Het concert is georganiseerd door El Secreto de Tenerife van Isla Baja onder de noemer Los Caprichos Musicales de la Isla Baja 2007, in het kader van Il Ciclo de Música Vocal y Instrumental. Cultuur, cultuur, cultuur. En wat kunnen wij ons Spaans weer ophalen. En ons Engels: ‘Musical Whims’. En ons Duits: ‘Laune auf Musik’. Dat belooft wat!

Het uitgelopen ‘pleintje van het licht’ in Los Silos is zonnig gestemd. Als we de kasseienstraat del Olivo bestijgen, glimt het witte kerktorentje ons tegemoet. Erna maakt nog een stop bij het schattige ‘Plaza de la Constitución’ uit 1978 aan onze rechterhand, waar de peluqueria uitziet op rustieke buitenbankjes en houten balkonnetjes.

We zijn bijna op het centrale plein. Op alle hoeken en in de zijstraatjes staan druk gesticulerende Spanjaarden in zondagse kledij, in afwachting van wat komen gaat. Opeens bombarderen de kerkklokken ons met een lange, blikken inleiding om het ronde uur van elf. Na een tintelend intro volgen paukenslagen, in juiste volgorde van één tot en met elf.

Don Remo, in betonnen hoofd naast de kerk op een half door de zon beschenen sokkel, staart ongeroerd naar de overkant. Zou hij zijn gelaat een kwartslag naar links draaien, kon hij van het vrolijke geroezemoes op Plaza de la Luz meegenieten. Eerst voor alle zekerheid maar weer even een plasje doen in de bibliotheekbijgebouwen, om ruimte te creëren voor koffie en het biertje, een ‘grife’. Ik bestel dit keer een kleintje, zeker geen grande, por favor, het is nog vroeg.

Wij installeren ons op de hoek van het terras, wat je noemt balcon loge. Slechts de pal voor het podium opgestelde VIP-stoeltjes bieden een betere positie. Een groot damesgezelschap wandelt statig de kerk uit, voorzichtig op de steile stenen traptreden, en gaat het Ayuntamiento op huisnummer 9 binnen. Een duif deponeert een klodder op een van de VIP-stoelen. Ik ben het met de vredesvogel eens - vrijheid en gelijkheid.

Wanneer de beiaardier van de kerk zich om half twaalf weer in een lange riedel uitslooft - “Hij doet dat best gevoelig”, zegt Erna met haar wijsvingers in de oren - komt de damesgroep het gemeentehuis uit en hobbelt naar de nog steilere zes hoge stenen treden van het bordes dat naar het culturele centrum voert, waarachter de patio met houten balkons van onder meer de bibliotheek en ons toilet.

Knalrode klep

De genodigde dames (zijn zij de VIP’s?) hebben allemaal een spierwitte pet met brede knalrode klep in hun hand. Petten zijn toch voor op je hoofd, peins ik me suf. Niet bij deze ladies. Het rood en wit geeft mij een flauw vermoeden van de gemeentekleuren van La Villa de Los Silos.

Uit alle hoeken duiken muzikanten en muzikantes te voorschijn, instrumenten in de hand: saxofoon, klarinet, trompet, koffer met hobo, dwarsfluit. Het lachende zonnetje schijnt stralend.

Pasodoble, petten, plasje

De musici staan zich gezellig keuvelend in verschillende groepjes voor te bereiden. Sommigen hebben hun jasjes uitgetrokken, ze hebben het nu al warm. Een actieveling klapt op het geïmproviseerde podium alvast tientallen klapstoeltjes uit. Wij ontvangen beiden een ‘Plan de Dinamización Turística’, uitgereikt door een vriendelijk gedienstige mevrouw in keurig wit overhemd en grijze rok.

We bestellen een otra ronda. Koffie en bier, bijna een vaste gewoonte.

Het inlegvel van het dynamische plan bevat het muzikale programma op een kleurrijk gesponsord A-viertje. Naast Spaanse namen als Santamaria, Julio Salgado en Gil Serrano, pasodoble en samba-tanguillo, ontdek ik de namen van Jacob de Haan en Jim Jacobs! Nederlanders in den vreemde?

Het concertprogramma begint met Santa Cruz de Tenerife, een pasodoble. Het een na laatste nummer staat vermeld als het onvolprezen ‘GREASE’. Wow, was Olijfje - vroeger was ik een beetje verliefd op Olivia Newton John - er maar.

Een tijdschema ontbreekt. We zullen wel zien hoe lang het concert duurt.

Twaalf uur precies. Het stemmen van de instrumenten begint, de flesjes water - aqua minerale zonder bobbeltjes - zijn uitgedeeld. De beiaardier neemt een nieuwe, kortere aanloop en slaat twaalf. Het is een kakofonie van geluiden die door een televisiestation aan het front in beelden wordt vertaald.

Een duif landt, bijna op het hoofd van onze Engelstalige buurvrouw. Met een servetje veegt zij iets van haar chique rok. Een vredesboodschap?

Zeker veertig musici, toch aardig wat jonge chica’s ertussen, anders dan op de geafficheerde foto, nu wel allemaal met hun eigen blaasinstrument in de hand, nemen de klapstoeltjes in beslag. Het podium is tot de laatste plaats volledig gevuld, alsof het nauwkeurig is berekend. De tv-camera zoemt in op de voorste saxofonist, de enige muzikant die zijn donkergrijze jasje nog aan heeft.

Rond het keurig netjes verzorgde grasperk met planten en bloemen, slechts een paar verdorde rosa’s te zien, drentelen jong en oud heen en weer.

“Hoezo dikke kont?”, vraagt Erna rondkijkend aan mij.

De houten VIP-stoeltjes, keurig met programmaboekje belegd, zijn alle onbezet. Het wachten is kennelijk op het roodwitte pettengezelschap. Waar hangt dat uit?

Twee autochtonen zijn zo vrij om twee VIP-klapstoeltjes uit de volle zon te verplaatsen en zetelen zich een meter of tien zijwaarts, in de schaduw. Goed bekeken.

Het is kwart over twaalf, de hobo’s dreinen hun dreun. Mijn plasje dringt aan, dat van Erna niet minder. Ik snel naar de patio. Alle deuren zijn gesloten. Tijdens het concert mag, zo lijkt het, niet geplast worden. Althans niet door dames. Want ik ontdek tussen de geparkeerde auto’s op de achterliggende parkeerplaats een cultureel stahoekje. Ik besef dat het politiebureau naast de kerk zit, vlakbij en in zicht, maar de Spanjaarden kennen het begrip ‘wild plassen’ toch nog niet in hun wetten?

Erna is beschaafder dan ik. Zij houdt haar aandrang gewoon op. Ik vind dat knap.

Bijna half een, de pasodoble begint. Spaanse klanken met een Spaanse beginslag, vrolijk, allegro. Van alle kanten klinkt luid applaus.

Bij het inzetten van het tweede nummer komt een vrouwelijke ‘drietonner’ op geroofd VIP-stoeltje - allemaal nog steeds onbezet - naast ons zitten. Ik kijk Erna aan, zie haar hardop denken: “Ikke dikke kont?”.

Het wordt drukker en drukker op de Plaza. Een echt openluchttheater ontspant zich. Achter de kiosk met ijs en knalrode zoete lollies hobbelen auto’s over de kinderhoofdjes voorbij. In een dorpje als dit lopen enorm veel lelijke mensen rond, valt mij op. Tamelijk veel gehandicapten, om niet te zeggen mismaakten, al of niet in rolstoel. 

Tja, wat gebeurt er allemaal in de romantiek van zo’n afgelegen dorp?

Om exact half één ebt het klaterend applaus voor Santamaria’s pasodoble, genaamd Santa Cruz de Tenerife, weg. De onzichtbare beiaardier grijpt opnieuw zijn kans. Dirigent Antonio en zijn muziekensemble laten zich niet uit het veld slaan. De klassieke muzikale tocht op het zonovergoten plein gaat onverdroten voort. Eerst een medley, dan een andante, tempo en moderato. Ook deze verdienen beschaafd applaus, waarna een medley van bolero's volgt.

“Als wij nu een walsje wagen, stelen we de show. Stel je voor, Erna y Pedro op Télévisión Tinerfueño!”, wijs ik mijn getrouwe partner op de aanwezige tv-camera. Erna weet dat ik bluf, kent mij door en door. Het is lang geleden dat wij onze laatste wals walsten. Er zijn evenmin andere waaghalzen. 

Opnieuw klinkt handgeklap. Achter mij hoor ik “Bravo”. Ik kijk om en vraag “Ben jij dat?”.

Het ís Erna, in helder, universeel Spaans.

Terwijl ‘Grease’ wordt ingezet, probeert een ‘Travolta’-schoffie de aandacht van twee meisjes op de voorste rang te trekken. Achter de dametjes gooit hij een plukje gras uit het perk in hun haar. De ‘Olivia’s’ laten zich niet verleiden, Juanito sluipt onverrichterzake naar de achtergrond, waar zijn gangleden staan te gniffelen.

Rond half twee volgt een toegift, die een klassiek, sprankelend uurtje muziek in de buitenlucht besluit. Een concert voor twee Hollanders - want gratis, gracias -, dus mag het ene van de drie (!) biertjes dat dubbel wordt berekend de pret niet drukken. Bravo, bravissimo.

Adiós biertje, adiós Dorada

De volgende dag staan we om half negen op. Het heeft de hele nacht stevig geregend. De regenpijp van het dakterras lekt luid en duidelijk boven ons openstaande slaapkamerraam. 

Tenerife laat weten dat we naar huis moeten!

Vandaag eindigt het genotvolle goede leventje van veertien dagen lang. Een leventje dat iedere dag begint met een schotel muesli, doorspekt met verse vruchten, het geheime recept met liefde door Erna klaargemaakt. Het zal weer wennen worden, terug naar Perla Americana in plaats van Dorada om elf uur in de ochtend.

We besluiten om bovenlangs in noordoostelijke richting naar het zuidelijk gelegen vliegveld te rijden. We hebben immers de godganse dag om daar te komen, onze vlucht gaat pas om 20.40 uur, ijs en weder dienende.

Om tien uur exacto sluit Erna voor de laatste keer het toegangshek van Las Brujas. Laat moeder-de-vrouw maar komen, met of zonder haar bezemsteel.

Adiós finca, adiós Restaurante Ribamar.

Erna wil nog een blik werpen in San Juan de la Rambla. Dat kost weinig moeite, het is vlakbij. Het dorpje ligt doodstil aan onze route. Het oogt pittoresk, maar er is helemaal niets te beleven. We kussen het vluchtig, adiós.

Candelaria is een havenplaatsje van elfduizend inwoners. Hier huist een knots van een basiliek. Erna nuchter: “Basilieken zijn meestál groot”. Deze is van de Madonna van Candelaria, de ‘licht schenkende’ beschermheilige van de Canarische eilanden. Volgens legende is het Mariabeeld nog vóór de kerstening van Tenerife door Guanchen ter hoogte van Güímar op het strand gevonden. Na enkele wonderbaarlijke gebeurtenissen krijgt het beeld bijzondere betekenis en wordt het in een grot geplaatst. In de 19e eeuw verdwijnt het bij een stormvloed in zee. Daarna is het nooit meer teruggevonden. Het huidige Mariabeeld is een imitatie van een vroegere kopie.

Elk jaar wordt half augustus een grote bedevaart naar het beeld gehouden, waarbij de pelgrims op het grote plein voor de basiliek samenkomen. Aan de rand van het plein staan enkele realistische bronzen beelden die de negen ‘menceyes’ voorstellen, inheemse heersers uit de tijd van de conquista.

Voor bezoekers zijn met name het oude centrum en het moderne stadsdeel Las Caletillas van belang, waar langs de strandpromenade veel nieuwe restaurants en cafés zijn te vinden.

Na het geluk van een subliem parkeerplekje boven het plein dalen wij de traptreden af. We steken onze neus in de basiliek en bijbehorend souvenirwinkeltje - cd’tje met traditionele Canarische muziek aangeschaft - en wandelen op ons gemak door het oude centrum. Uiteraard proeven we ook een biertje en een ‘kofje koppie’. Er heerst een heerlijk sfeertje, ondanks de omvang van het stadje, zeg maar twee keer Garachico qua inwonertal. 

Om 12.00 uur moeten onze oordopjes weer even in: twaalf klinkende paukenslagen uit de top van de basiliek.

Op een bankje van het grote plein bestudeer ik de negen Guanches in brons. Erna maakt foto’s, ik probeer zo’n oerinwoner van z’n sokkel te stoten. In alfabetische volgorde lees ik van rechts naar links dribbelend hun illustere namen: TEGUESTE, ROMEN, PELINOR, PELICAR, BENEHARO, BENCOMO (in de Duitse roman ‘Tanausú, Koning der Guanchen’ lees ik over hem en Ica), ANATERVE, ADJONA, ACAYMO.

Hoewel onze honger begint te knagen, zoeken we wat verder dan Candelaria naar een eetgelegenheid. Die queeste eindigt ongeveer twintig kilometer voor het vliegveld, onze eindbestemming op Tenerife. Restaurante Bar de Todos in Poris de Abora is een pleisterplaats waar je normaliter niet voor kiest. Er staan minstens vijftig windmolens tussen de rotsen voor de deur van dit ongezellige dorp. Het waait er flink, dat zal veelvuldig, zo niet altijd het geval zijn. Nu beseffen we dat een groepje windmolens op twaalf kilometer uit de kust in onze woonomgeving - Egmond, Castricum - eigenlijk niks voorstelt. Even verderop staan er opnieuw een stuk of vijftig.

Deze zuidelijke Tenerifekust moeten wij helaas als een lelijke, kaalogende zeestrook beoordelen. De vangst uit het zilte nat - calamares à la plancha, sardines - laten we ons niettemin goed smaken. Ik bestel een cerveza pequeña, maar bier van de tap is er niet. Mij wordt een flesje Heineken op miniformaat, 25 centiliter, voorgezet. Dat schiet niet op, doe mij dus nog maar zo’n botellín (flesje). De porties op onze borden zijn enorm, net als het geluidsvolumen van de discussiërende arbeiders, die in ploegendienst aanschuiven voor hun stevige warme hap.

In El Médano staat achter het hotel Médano een eerbetoon aan de Portugese ontdekkingsreiziger Magellañes. Een gebeeldhouwde Maya tuurt naar de ‘Rode Berg’ (montaña roja). Achter deze Rode Berg ligt trouwens vliegveld ‘Koningin Sofia’, dat we met onze tijdige aankomst een paar uurtjes geconcentreerd kunnen bestuderen.

Ons Avia-huurautootje plaatsen we keurig, zoals verzocht, in rij negen van de parkeerplaats. Geen schade opgelopen, de tank is bijna leeg, echte Hollanders nietwaar, en 950 kilometer op onze veertiendagenteller.

“Goed gedaan, jochie”, geeft Erna me een kus. Dat doet zij altijd (pas) als ik haar als privé chauffeur de mooiste plekjes van de wereld heb laten zien.

Broodje, biertje, betalen betalen

Dan begint het lange wachten op Aeropuerto Reina Sofía, uiteraard wél met een dubbeldikke bocadillo met rauwe ham en een lekker drankje (bier en fris), ongeacht de te vele euro’s die zulks kost.

We raken ruim van tevoren geëmbarkeerd en zitten - zonder het in de gaten te hebben - in de menigte die een uur eerder vanuit dezelfde slurf naar huis vliegt. Erna is weer de wakkerste van ons tweeën en ontdekt dat. Het is geen probleem, want we zijn toch veel te vroeg. Meteen ontdekken we dat onze terugvlucht intussen een andere slurf heeft toegewezen gekregen. MP0402 vertrekt conform schema om 20.45 uur naar Amsterdam, waar wij om 2.00 uur in de nacht op Schiphol landen.

Een gezellige Brabander naast ons weet de reistijd aardig in te korten met zijn vakantie-ervaringen uit heden en verleden. Hij is bovendien nieuwsgierig naar de onze, ook uit heden en verleden. Onze koffers vergen bij aankomst, hoewel we de laatst gearriveerde menigte in de rand van deze nacht zijn, een lange wachttijd. Gelukkig duikelen ze op de band te voorschijn. Nu de taxi zien te vinden.

Taxi Haulo moet zich aan de STA-balie, naast Délifrance, op Schiphol Plaza bevinden. Na enig speurwerk melden wij ons daar tussen andere taxigegadigden. Délifrance slaapt helaas, wij niet, hoewel we er al een tijdje tegen knokken. Na een klein uur meldt de Haulochaffeur zich en pikt ons tezamen met twee Castricumse dametjes voor de rit naar huis op. Wij zijn het eerste afzetproduct en voeren onze medepassagiers en chauffeur langs de krochten van het Heemskerkerduin naar Hoeve Zuid Endt, waar we onze oprit van driehonderd donkere meters wandelend met koffers en rugzak afleggen, om geen slapende oasebewoners te wekken.

Thuis, al zijn we het nog een beetje kwijt, weer thuis, vertrouwd. Het is bijna half vijf als Erna en ik weer in ons eigen bedje schuiven. Vooral voor Erna een glansrijke opluchting. Aan het evenement met Evenements Reizen is een goed einde gekomen.

De tijd staat stil

Alle Canarische eilanden zijn vulkanisch, maar niet een is zo spectaculair als Tenerife. De laatste grote uitbarsting vindt plaats in 1798 (daarna is er nog een kleinere in 1909), als een scheur ontstaat langs de zuidwestelijke flank van de Pico Viejo (‘Oude Top’), waaruit een enorme golf magma omhoog wordt gestuwd.

De hoogste berg van Tenerife - de Teide - oefent de grootste aantrekkingskracht uit. En toch is het slechts een van de vele vulkanen en kloven die miljoenen jaren geleden langs een breuklijn op het eiland zijn ontstaan.

De Teide is een strato-vulkaan, een natuurlijk bouwwerk dat gedurende vele millennia is opgebouwd. Herhaalde erupties spuwen lavastromen uit, elke uitbarsting voegt een nieuwe laag toe en helpt zo de kegel op te bouwen. De Teide en de andere toppen zijn betrekkelijk jong. Volgens schattingen zijn de oudste vulkanische rotsformaties op het eiland zeven miljoen jaar oud. Hiertoe behoren ook het Teno-massief in het noordwesten en het Anaga-gebergte in het noordoosten.

De ‘caldera’ (ketel) waarin de berg Teide is gegroeid, is een van de grootste ter wereld. Hij staat met 3.718 meter hoogte in een rijtje met beroemde vulkanen als Vesuvius - Kilimanjaro - Fujiyama - Etna.

Tenerife is nog steeds vulkanisch actief. Dat is te zien aan de ‘fumarolas’, de gasachtige damp die op bepaalde punten uit de top omhoog komt. Wij hebben op onze wandeling op 3.500 meter hoogte van zwavelgeuren kunnen genieten.

Er wordt gezegd dat de Teide zich op een dag zomaar weer eens van zijn duivelse kant kan laten zien. In het Engelstalige veertiendaagse ‘sufferdje’ van Tenerife - The fortnightly TENERIFE NEWS - lees ik op vrijdag 13 april 2007 een artikel met de boodschap dat noch Tinerfeño noch toerist zich welke zorg dan ook behoeft te maken …

Mount Teide is safe - it’s official

After five years of research a team of twelve scientific investigators has announced that Mount Teide does not pose a significant threat as far as the possibility of an eruption is concerned.

After numerous chemical and Carbon 14 analyses of quantities of lava samples, strata and the different organic material found within them, the boffins have concluded that the volcano’s phase of mega-eruptions ended some 30.000 years ago and that its volcanic activity has been scarce over the past 10.000 years.

Even Teide’s most ‘recent’ eruption, which they reckon to have taken place some time in the eighth century would not have posed any risk to the population, they said.

Met groot genoegen denken Erna en ik aan ons eerste, tot nu toe enige bezoek aan Tenerife terug. Uit de vele indrukken hebben wij nog steeds ‘The Road to Masca’ op ons netvlies staan: “A narrow winding road climbs up Teno massif to Masca, a tiny but charming hamlet, where time seems to have stood still in the shadow of a rocky peak. From this oasis of peace and dramatic, natural beauty, a deep ravine with sheer cliffs lining its course, runs down to the sea.’

(The End)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Recensie 'Na de sterren' (Marga Minco)

Recensie betreft de dundruk-uitgave van Uitgeverij van Oorschot, met de roman ‘Een leeg huis’ en 23 andere, korte verhalen van Marga Minco:

Ook ik was een van de middelbare scholieren die ‘Het bittere kruid’ van Marga Minco voor zijn (HBS-B-)eindexamen op zijn boekenlijst vermeld. Het literaire monument is als klassieker geliefd onder scholieren vanwege geringe dikte en eenvoud van taal. Marga Minco roept in haar van emoties ontdane proza gevoelens van de Tweede Wereldoorlog op. Haar joodse familie betaalt een hoge tol.

Vele jaren later kom ik de schrijfster opnieuw tegen. Haar ontroerende ’De val’ is een novelle in authentieke stijl. Nog weer later verrast ‘Miekes Leesclub’ mij met het verzoek mijn leeservaring over een andere Minco met lezers te delen. Ik ontvang een prachtige, gedundrukte editie van uitgeverij Van Oorschot: ‘Na de sterren’. Dit fraaie boekwerk van Marga Minco bevat een keuze van de schrijfster zelf uit haar complete werk: de roman ‘Een leeg huis’ en 23 korte verhalen.

In ‘Een leeg huis’ schetst Marga Minco in drie delen de chaotische periode van na de bevrijding. Zij diept net als in het ‘Het bittere kruid’ belevenissen van in en na de bezettingsjaren uit. In het begin moet ik wennen aan de toegepaste flashbacks, daarna ontdek ik dat Minco aan de hand van drie dagen (28 juni 1945, 25 maart 1947, 21 april 1950) een imposant verhaal over een moeilijk te verwerken gegeven realiseert. De hoofdpersoon keert na de bevrijding uit haar onderduik terug naar het gesloopte huis. Een leeg huis, waarin ‘leegte’ voor de ik-persoon en haar vriendin in de na-oorlogse jaren wordt weergegeven, goed van sfeer en vol verdiepende waarnemingen.

Net als in ‘Het bittere kruid’ is de oorlogsthematiek met navenante ervaringen er een van vereenzaming, voorzien van het gevoel alleen in de wereld te staan. Marga Minco is hierin op haar best, in zuiver en sober taalgebruik, waarin vaak korte zinnen mij als lezer prima bevallen. Beter één heldere, indringende zin dan een hele pagina uitweiden. 

Marga Minco heeft zelf een voorkeur voor korte verhalen. De derde uitgave in de reeks ‘Gedundrukt’ bevat een kleine twee dozijn, die ik ieder op hun beurt met genoegen heb gelezen. De overkoepelende titel ‘Na de sterren’ ontlokt aan Minco de opvatting dat Simon Carmiggelt en Annie M. G. Schmidt de ‘echte sterren’ zijn, door Van Oorschot gedundrukt. Naar mijn mening is Minco te bescheiden. Zij is ten onrechte niet met een Zeer Kort Verhaal te vinden in het veldboeket met veertig stuks naar de smaak van ‘meester van het ZKV’ A. L. Snijders, onlangs uitgebracht ter gelegenheid van de tiende editie ‘Nederland leest’.

Als provinciegenoot kom ik Simon Carmiggelt met een kort verhaal (‘Mokum’) tussen de mooiste korte verhalen tegen, die onder ‘Noord-Holland leest’ voorafgaan. Vermoedelijk heeft geboren Zeeuwse Annie M. G. Schmidt in de Zeeuwse editie een plaats, misschien ook niet. Ik vind dat de in Ginneken als Sara Menco geboren Marga Minco in de Noord-Brabantse editie de ster van schitterend proza moet zijn.

Tijdje terug, Tenerife

Teleferico del Teide

Wanneer we de deur uitstappen om de Pico de Teide te bestijgen, regent het inderdaad. Wij gokken nooit, winnen nooit iets en toch wagen we het erop. De zon is onbetaalbaar. Aan de zuidzijde van het eiland schijnt hij altijd, we kunnen dus royaal op hem inzetten. Ook is de kans groot dat La Gomera opnieuw haar dagelijks ververste slagroomhoed draagt. Haar hoofddeksel tekent een fantastisch fraai vergezicht, omhoog krullende wolken hebben aan hun onderkant een kaarsrecht afgeplatte bodem. Deze horizontale lijn zet zich naast het eiland aan beide zijden boven zee voort, zodat het lijkt of een plak koek tussen wateroppervlak en slagroom is weggesneden.

We volgen de borden El Teide, de vulkaan die zeventig kilometer van onze finca ligt. We kronkelen weer omhoog en omlaag, vooral omhoog. ‘Pinar del Chio' lees ik, ontmoeting met honderdduizenden pijnbomen in een maanlandschap. Hoe die in deze bodem wortelen, is een raadsel, maar ze doen het, met z’n allen. Op achttienhonderd meter hoogte wordt dat minder. Hun aantal en individuele lengte nemen af. Ondertussen wordt het mij wel duidelijk waarom we zoveel houten balkonnetjes en houten voordeuren in Tenerife’s dorpjes en stadjes ontwaren.

Het maanlandschap is indrukwekkend. We stellen ons Neil Armstrong voor, wagen echter geen stap in de donkerbruine tot zwarte, grillige buitenaardse ruimte. Het lijkt als thuis, hoewel schijn bedriegt: alsof de bodem net vers is bemest. We ruiken echter niks en we horen nog minder. Het is - gelukkig - al weer enige tijd geleden dat de Teide zijn mestkar heeft uitgereden. Je moet er niet aan denken dat het juist vandaag weer zou plaatsvinden.

Op de lange stukken langzaam stijgend, kaarsrecht asfalt voelen wij de intense impressies van Monument Valley en andere nationale parken in het westen van de Verenigde Staten weer tot in onze botten. Monumentale rotsformaties sieren Tenerife, met een reuzenvulkaan op de achtergrond. Nou ja, achtergrond, met evenveel recht kun je zeggen voorgrond. Hij staat er gewoon. Langs zijn helling loopt een draadje, waaraan een tweetal knoopjes hangen. Stijgt het ene knoopje uit een doosje omhoog, daalt het andere uit het bovenste doosje even voortvarend af. Je moet dat ‘perpetuum mobile’ maar uitvinden, een hele kunst om er een economisch verantwoord confectiewerkje van te maken.

Pico de Teide - in Parque Nacional de las Canadas del Teide - is 3.718 meter hoog. De hoogste berg van Spanje, tot werelderfgoed verklaard. Wanneer El Qaida een aanslag met een airbus zou plegen, zou deze wolkenkrabber van een berggigant het niet eens bemerken. Alsof een vlieg wat kriebelt op z’n schouder. Voor Bin Laden c.s. hoef je hier, ondanks grotten en spelonken die op de loer liggen, geen vrees te hebben.

We ontdekken dat een entreebewijs voor de ‘Teleferico del Teide’ 22 euro per persoon kost. Dat kunnen we vervolg geven met een voettocht van het bergstation naar de kratertop. Maar daarvoor blijkt een persoonlijk visum voor Nationaal Park Teide vereist, verkrijgbaar in Santa Cruz de Tenerife. Dat gaat ons iets te ver.

Op tweeduizend meter hoogte, bij Los Azulejos, kruipen witte wolken langzaam over de rafelranden naar ons toe. En beduidend sneller terug. Het is formidabel fris. Erna geniet van grandioze kleurschakeringen, die toch slechts uit een beperkt regenboogspectrum bestaan. Tussen vele kleurnuances van zandgeel en zandgrijs tot lavabruin en lavazwart wandelen fantastische tinten groen. Pal voor ons staart een uit steen geslepen ‘Guanche' over de vlakte naar het verre wilde westen. Althans, met enige fantasie.

Het bezoekerscentrum van het nationale park lijkt Duits eigendom. Er wandern sozusagen wat Osterburen herum, sie entwickelen zelfs hun eigen Wanderpaden in gedrukte vorm. Wij hebben trek in koffie met cake. Tarieven volgens monopoliepositie, prijzig dus.

De bijna sneeuwloze Teidetop roept. Nemen wij de Teleferico del Teide, ook zo’n monopolist? Ach, je komt hier misschien eens in je leven. Een goede vriendin, veelvuldig Tenerife-bezoekster, heeft het dringend aanbevolen. Dus sluiten wij aan in een lange sliert voor de kassa. 

“Si, si, dos personas, por favor”.

Ik ontvang twee tickets, los numeros 194.657 en 194.658. Plus zes euro retour. Het onvervalste briefje van vijftig is door een beveiligde sleuf opgeslokt. Business is business, ook in ijle lucht.

In de mensenrij voor het loket herken ik lang vervlogen tijden. Wintersportgenot, wachten op een gondel, de hoogte in naar een duivelse berg, de Diavolezza. Ondanks de grote belangstelling hier voor de vulkaantop waren we onze auto vrij snel kwijt. Zelfs op een plekje vooraan. Kwestie van Amsterdamse bluf, hardop beweren dat voor ons altijd een parkeerplaatsje vrij is of komt. De gondel daarentegen laat een klein uurtje op zich wachten. Een op het oog opgeschoten modern Spanjaardje van een meter zestig hoog in de rij voor ons, twee piercepijltjes door zijn oorlellen, kwekt wat af met drie dito Spaanse juffertjes van dezelfde lengte, geen oorpijltjes, navels niet te zien, maar wel her en der de nodige tattoo’s.

Opeens worstelt het joch zich terug, dwars door de achter ons wachtende meute heen. Hij keert even later weer in z’n harem terug. In de buurt van het loket of mogelijk bij het restaurant heeft hij een reuzenzak chips weten te bemachtigen. Pappas arrugadas, maar dan in dunne schijfjes, in plastic verpakt. Een van de chicas houdt de zak open, de anderen doen een voor een een graai. Dat ziende grijp ik mijn kans en sla toe. Ik pak ook een minuscuul chipschijfje, waarvoor ik mij niet hoef te schamen. Voer voor die meiden natuurlijk. … ‘Een blonde Noor? Hoewel, hij is aan de kleine kant. Maar in vergelijking met ons’ … Giechelen achter kleine, lege handjes voor gevulde mondjes.

Plotseling klinkt een vraag in mijn richting. “Quire mas?”.

“No, no, vale, gracias”, bloos ik als schijnheilige, jongere oudere. 

Een Spaanse chat, mijn Hollandse tongval inbegrepen, volgt. Het clubje komt uit Valencia - ik doe m’n best, herhaal ‘Balencia' - en verbaast me volstrekt. Grote stad, Erna en ik zijn er geweest, vol sinaasappels, cultuur en ander fraais. Maar tot onze verbazing spreekt het alleen maar Spaans. Geen woordje Engels.

Spanjaarden zijn nieuwsgierig. De dames willen weten waar wij vandaan komen. Eentje vraagt hoe ik aan zo’n bruine kop kom. “Is het niet koud om in een simpel T-shirt helemaal naar boven te gaan?”. Zij heeft een punt, ik doe graag stoer. 

“Frio? Ik kom net van IJsland. Daar heb ik in een tangaslip bij een geiser een uurtje in de sneeuw gelegen!”.

Interessant. Het vrouwelijk trio doet zijn provisorisch om de nek gevouwen badlaken en zo nog wat doeken even af om samen met Erna en mij in het digitale cameraatje te worden opgeslagen. Het veelbesproken kiekje zal tot onder de oranjeboomgaarden in de Spaanse sinaasappelstad worden besproken en begniffeld. Zoveel is seguro.

Met in totaal 38 nieuwsgierigen - wij zijn nummers 35 en 36 in de rij - en een verveeld uit z’n ogen kijkende uitsmijter - nummer 39 -, zijnde de bewaker van de luchtbus aan een stukje staaldraad, zeilen we van 2.356 naar 3.555 meter hoogte. Inderdaad, op een lullig metertje na twaalfhonderd meter hoogteverschil. We gaan minder snel dan indertijd met de lift in het Empire State Building en die in de Twin Towers, maar toch nog altijd een honderdvijftig meter per minuut over een lengte van om precies te zijn 2.482 meter. Met zes marathons op mijn naam weet ik exact hoeveel een meter lengte op onze aardkorst eruitziet. Hier gaat het om een stijging van - uit het hoofd berekend - 47 procent en 11 promille, gelijk aan een bodylotion van acht minuten spraytime. Dat noem ik nog eens een hoogtestage.

De gondelkabel steunt trouwens op drie palen, zeg drie elektriciteitseiffels, op zijn weg naar de top. En jawel, herkenbaar van de skitochten in Zwitserland, over iedere top van elke paal zakt de gondel meer dan verwacht naar beneden. Alsof hij los komt te hangen en vervolgens stevig gaat slingeren. ‘In een rijtuigie, in een …’. Je weet dan dat een koor van 38 bassen, tenoren en alten dezelfde toon inzet. De toon van angstige spanning: oei-oei-oei. Dat gebeurt hier dus ook, een paar keer achtereen, voltreffer van een origineel refrein.

Eenmaal de gondel uitgestapt is het inderdaad behoorlijk fris, vooral door de stevige noordenwind. Erna stoeit met de ijle lucht en houdt zich koest. Heel verstandig. Op ons gemak rondlopend genieten wij van het fantastische panorama, hoewel een wattendeken veel van het uitzicht op de gehele archipel aan ons oog onttrekt. De bizarre wereld die Moeder Aarde hier in de persoon van de Teide heeft neergespreid, moet er een van wanhoop zijn geweest. Ik heb ook wel eens last van mijn darmen, maar zoals het hier gestold ligt, is mij nooit gelukt. Het slaat alles. Met ertussen lappen fluweel van zachtgeel, beige en lichtbruin, ook de mooiste tinten groen.

Het aanleggen van de wandelpaden van steen moet engelengeduld hebben gevergd, ook al liggen de blokken voor het oprapen. Het is dat er op het vliegveld strenge controles zijn, anders stapelde ik thuis een muurtje van glimmend obsidiaan om onze tuin.

Op ons pad omhoog komen we een imker tegen, de stevig is ingepakt tegen de zon. Hij bewaakt het gebied, waar je niet zomaar vrijuit naar de top mag wandelen. Je moet er een geldige ‘autorizacion’ voor aanschaffen in Santa Cruz. Dat hebben wij niet gedaan. Tot mijn spijt, want ik constateer nu dat ik mijn evenwichtskunsten op het randje van de krater boven mij graag zou hebben vertoond.

Erna loopt een stukje achter mij en schiet foto’s. Onmiddellijk ziet een Spaanse familie haar voor professional aan en vraagt haar hen op de kiek vast te leggen.

“En? Heb je alleen hun voeten in beeld genomen?”, vraag ik volgens mijn oerslechte gewoonte tot malicieus denken en handelen.

Erna is niet zo. Zij is veel te lief voor zulke ‘practical jokes’. Bovendien, het resultaat valt meteen waar te nemen. Digitale camera, nietwaar.

Op de wandelterugweg hebben we de stevige koude wind gelukkig in de rug. Slechts een heel klein beetje sneeuw valt te ontdekken. Ik kan mij niet voorstellen dat ze hier in de winter op plastic zakken naar beneden glijden. Dan haal je toch aan die scherpe lavarotspunten die plastic zak zo open?

De kaartcontrole van de bezoekers blijkt goed geregeld. Je moet enkele keren door een tourniquet op vertoon van je ticket, iedereen persoonlijk, waardoor exact kan worden gecontroleerd of het aantal passagiers dat in de gondel naar beneden komt even groot is als het aantal dat is opgestegen. De toegang is van negen tot vijf, een kantoorgondel als het ware. Formeel word je geacht ten langste een uurtje boven te blijven, om het terugvervoer zo gespreid mogelijk te laten verlopen.

Ik ben er niet achter gekomen of er wel eens iemand clandestien op de top is achtergebleven, en zo ja, wat de bewakers bij ontdekking van een tekort bij terugkomst aan het einde van de middag daaraan doen. Ik vraag me ook af wat een mens in de nacht te  zoeken heeft in zo’n krater. Ik bedoel, er liggen geen goud-, zilver- of wat voor aders ook, een hotel of B&B is er niet, en een bar ontbreekt eveneens. Een nachtje overblijven zou natuurlijk wel bar zijn.

Op de terugweg hebben wij weer een soort van geluk met de gondel. Precies achter ons, de nummers 37 en 38, sluit de stuurman het perron. De na ons gekomen terugreizenden moeten acht minuten vakantietijd tegen wachttijd inruilen. Wij niet … 

De terugrit naar Garachico via La Orotava, Historical Town Centre, bestaat opnieuw uit ongekend mooie indrukken van een maandlandschap, dat Nationaal Park del Teide heet. Fabelachtig en heel bijzonder. 

Hoe dichter we La Orotava naderen, hoe dichter de mist van het wolkendek dat ons het uitzicht belemmert. Ook het zicht is mager en beperkt zich soms tot maximaal een meter of tien, lastig voor de chauffeur in het bochtige parcours. Toch arriveren we zonder incidenten in La Orotava, waar we tamelijk snel een parkeerplaatsje weten te vinden a raison van 1,25 euro voor twee uurtjes.

De plaats La Orotava ligt op een steile helling aan de oostrand van de Valle de Orotava, vierhonderd meter boven de zeespiegel. Met 38.000 inwoners heeft La Orotava zich de laatste jaren ontwikkeld tot een stad met twee gezichten. In het westen ligt het rijke en goed onderhouden historische oude stadsdeel, waar bezoekers uit de hele wereld komen en waar ondanks de drukte een rustige, ingetogen sfeer heerst. Aan de oostkant ligt het bruisende, levendige nieuwe stadsdeel met winkels, woonblokken, industriegebieden en opgeknapte plekjes.

De oude stadskern maakt niet zozeer indruk door de schoonheid van de afzonderlijke bouwwerken, maar vooral doordat de historische bebouwing in zijn geheel zo fraai bewaard is gebleven. Eenvoudige huizen uit vervlogen tijden zijn te vinden in de molenwijk Farrabo, die boven het oude centrum ligt. Hier staan nog gofio-molens, waarvan een enkele zelfs nog in bedrijf is.

(NB. Gofio is een mengsel van geroosterde en daarna gemalen granen, al bekend bij de oorspronkelijke bewoners, de Guanchen).

Wij begeven ons in La Orotava eerst naar een bar, voor een broodje en een drankje. De oude kroegbaas bestuurt zijn taveerne als een vorst vanachter een toog die meer dan de halve lengte van zijn gehele zaak beslaat. Die zaak is minstens dertig meter diep.

“Bon dia, senor. Hay bocadillo’s?”.

“Si, si. Jambon y queso”.

Tussen allerlei soorten kopjes koffie door - van con leche tot en met cortado - manoeuvreert hij de opgewarmde bocadillo’s voor onze neus. Dat smaakt bij de eerste hap en gaat erin als koek. De waard zet een oranjegekleurde fles met schroefdop naast ons bordje. In de tekst op de fles lees ik iets van naranjas, uit de zijkant steekt een wit driehoekje papier. Een vastgekleefd servet?

“Wil jij tomatenketchup van sinaasappel op je broodje?”, vraag ik Erna. Zelf heb ik er geen behoefte aan, eigenlijk nooit.

“Ikke niet!”.

Beiden zijn we geen echte liefhebbers van het gemeenschappelijk in gebruik geraakte vettige USA-sapje. Wanneer we ons smakelijke broodje naar binnen hebben gewerkt, vraag ik de kroegbaas om een servetje, wijzend op de grote stapel achter hem op de aanrecht tegen de wand. Hij begrijpt mij in het geheel niet, wijst steeds andere objecten aan of ik die soms bedoel. Dan reikt hij me een exemplaar van de stapel.

“Gracias”, mompel ik mijn laatste hapje deeg weg.

“Of mevrouw ook een servetje wil?”.

“Por favor”.

Hij geeft Erna er ook een, pakt de sinaasappelfles en deelt ons non-verbaal mee: ‘Zijn deze soms niet goed?’.

Het blijkt dat de tomatenketchup zich heeft vermomd als voorraadfles gevuld met pakken kleine vierkante servetjes. Weten wij veel. Als ik de baas uitleg dat wij niet van sinaasappeltomatenketchup houden, moet hij heerlijk luid om het voorval lachen. De hele zaak, met tien personen gevuld, is op de hoogte.

Rondwandelen door La Orotava is een waar genoegen vanwege de mooie panden, fraaie tuinen en parken. Het Casa de los Balcones voorop, al is de toeristische commercie met souvenirs van kitscherige aard hier stevig geïnfiltreerd.

La Casa de los Balcones in het centrum van Villa de la Orotava, stammend uit het jaar 1632, is een prachtig huis, beroemd om zijn versierde balkons, zijn majestueuze gevel en door zijn karakteristieke patio met veel bewerkt hout. Allerlei kunstnijverheid van de Canarische eilanden is hier te koop, zoals calado-borduurwerk en gevlochten manden.

Opnieuw ontmoeten we bij de plaatselijke VVV een Nederlandse van origine, die hoewel zij al heel lang op Tenerife woont en nooit meer terug wil, haar Hollandse moerstaal uitstekend heeft bijgehouden. Een gezellig praatje volgt, maar de zware dag - in afstand zo’n 150 kilometer - willen we uiteindelijk met een maaltijd buiten de deur besluiten. Door mist afgewisseld met een vleugje regendrop keren we terug in het ons vertrouwde Garachico. Ter plaatse kiezen we voor Spaans eten, maar toch anders, namelijk bij Casa Ramon in Calle Estaba de Ponte. Op het stoepbord voor de deur staat comidas tipicas gekrijt. Het is rond 19.00 uur, tegen de deursponning leunt een oud vrouwtje.

“Is de keuken open, senora, la cocina es abierto?”.

Zij lacht haar halve gebit vriendelijk bloot: “Si, si”.

Geen ander mens te zien als we de ‘huiskamer’ binnenstappen van het oudje dat señora Lola blijkt te heten, familienaam Dolores.

“Vertel, senora Lola, wat zijn de comidas tipicas?”.

“Canarische soep met kikkererwten, cherne (zeebaars) en pappas arrugadas”.

Dat nemen we - we voelen aan dat er geen andere keuze is. Lola hobbelt naar haar keukentje achter een afscheiding. We zitten aan een tafeltje voor de houten inklapraampjes, met uitzicht op het smalle straatje. Vier andere tafeltjes zijn en blijven onbezet. Lola maakt leven in haar keuken. Zonder een kaart te tonen heeft zij ons haar menu voorgeschoteld. Nu is ze druk bezig. Ons staat vast een verrassing te wachten.

Señora Lola schuift langs met de zogenaamde droge witte wijn, die in een al of niet afgewassen frisdrankflesje zonder etiket van waarschijnlijk een half litertje op tafel komt, bijgestaan door twee glaasjes uit grootmoeders tijd. Wellicht is señora Lola oma, gelet op haar gebogen houding en weinige tanden, ze is toch maar mooi actief met zoon Ramon die zich de hele avond niet vertoont. Het is in zijn etablissementje in dit straatje hartstikke stil. Casa Ramon heeft belendend nog een dependance van een rommelkamer - een enkele deur als verbinding -, waarin vier tafeltjes, een bar, een kauwgumballen- en een fruitautomaat staan. Ook hier geen Ramon te ontdekken.

Vanaf onze plaats ontwaar ik een diepvrieskist met een gettoblaster op het deksel. Gelukkig staat het kreng niet aan, je weet maar nooit of señora Lola een beetje hardhorend is. Alle wanden hier staan dik in de donkerbruine lak, de lambrisering is van halve stammetjes gemaakt - pijnboom? -, aan een kant zelfs tot bijna plafondhoogte, waar bovenop de stammetjes de nodige grote dennenappels liggen uit te drogen.

Gelukkig drogen wij niet uit. Na wat slokjes van de wijn bekruipt mij het flauwe vermoeden dat de wc naast de diepvrieskist is, daar waar een deur open staat.

(wordt vervolgd)

Recensie: 'Zoektocht naar het paradijs' (Arita Baaijens)

Arita Baaijens is bekend van verhalen over tochten door de woestijn. In klassieker ‘Een regen van eeuwig vuur’ beschrijft zij ervaringen van haar eerste woestijnreizen. Die heb ik opnieuw gelezen, ik sta achter het commentaar: … Prachtboek. Behalve reisverslag met prachtige natuurbeschrijvingen ook pure liefdesroman … (AD).

Aan het verzoek om Baaijens' nieuwste boek te recenseren, voldoe ik met hoge verwachtingen. ‘Zoektocht naar het paradijs’ heeft als ondertitel ‘Een onderzoek naar waarheid en werkelijkheid in het hart van Centraal-Azië’. Ik was nooit in een Egyptische woestijn, noch in het hart van Azië. Om erachter te komen of Arita het paradijs vindt, consumeer ik driehonderd pagina’s (verschijnt bij Atlas Contact in januari 2016 in boekvorm). Met lichte argwaan, want zij heeft in haar bovengenoemde ‘regen van ademloos leesvoer’ al laten weten dat ze daar het paradijs heeft aangetroffen:

We hebben alle tijd. Tijd ook om de lome uren van de snikhete dagen weg te vrijen in de schaduw van een ruisende palm met de wind als hulpje. Een zwoele bries verdampt zweetdruppels en streelt waar handen niet kunnen komen. Dungul is niet minder dan het paradijs … 

Wat bezielt iemand die een gevonden paradijs laat volgen door een queeste naar nog een paradijs? Ik ben niet de ontdekkingsreiziger, bioloog, fotograaf en schrijver die Arita Baaijens is. Juist omdat zij op avontuur blijft jagen, schep ik er plezier in om haar geboekstaafde belevenissen te proeven. Zoals ik dat ook kan van rusteloze reizigers als Frank van Rijn, Carolijn Visser, Henk de Velde, Jolanda Linschooten, om enkele andere voorbeelden te noemen.

Arita Baaijens geeft aan dat de betovering van haar woestijntochten voor haar voorbij is. Zij ondergaat ‘kortsluiting in haar hoofd’, ‘haar leven is een grote puinhoop’. Althans, dat lees ik. Met haar nieuwe ‘zoektocht’ wil Arita orde scheppen in de chaos, wil zij verlossing van het lege gevoel in haar binnenste. Ze ziet haar reis naar Shambhala - paradijs voor boeddhisten - als enige uitweg: nieuwe obsessie om het leven weer kleur te geven.

Zij kiest Siberië. Met haar criteria had het net zo goed Australië kunnen zijn. Ze noemt drijfveren als ‘onbekende cultuur, taal en religie’ (ik denk dan aan aborigines), ‘extreem klimaat’ en ‘groot gebied om te verdwalen, desnoods dood te gaan’. Dat laatste gaat mij wat (te) ver. Niettemin vormt het Altaj-Sajangebergte in Siberië voor Baaijens de nieuwe uitdaging voor een levensvervullende missie. Voor mij is de uitdaging het lezen van haar schriftelijke weergave.

Na de eerste zin fonkelen mijn ogen als gloeiende oortjes: ‘De adem van de invallende winter bijt in mijn wangen op deze late herfstmiddag’ … 

Je weet het nooit, maar met zo’n sprankelende beginzin ben je vermoedelijk niet op de Bahama’s. Dan ben je Arita Baaijens op een Siberische hoogvlakte. Op zoek naar het paradijs, het legendarische Shambhala in het Altaj-gebergte. Het vinden staat gelijk aan het bereiken van de hoogste staat van spirituele ontwikkeling. Deze uitleg bekoort mij minder, ik ben niet zo spiritueel aangelegd. Evenmin ben ik bioloog, namen van flora en aanverwante data trekken niet mijn belangstelling. Arita’s onderzoek noemt ze herhaaldelijk.

Niettemin lees ik de verkenning door Kazachstan, China, Mongolië en Rusland in spannende verwachting. Vindt Baaijens de verborgen vallei, waarvan in unieke reisbeschrijvingen van Nicholas Roerich elk spoor ontbreekt? Russisch geoloog prof. Yuri Badenkov - aan wie Baaijens haar boek opdraagt - noemt de persoon Roerich om achterna te gaan. Baaijens is vastbesloten: “Hoe onmogelijker de uitdaging, hoe groter de kans dat in mij opnieuw een heilig vuur ontbrandt”.

Hoewel ik door het hele boek heen niet wen aan de mix van verleden en tegenwoordige tijd, mij bovendien soms erger aan (taal)foutjes, geniet ik wel van fraaie beschrijvingen. Baaijens op haar best:

… Aan alle kanten oneindigheid, stilte en een snijdende wind die mijn wangen laat gloeien. Boven me de Melkweg, een werveling van miljoenen sterren, gassen en kometen. Denken gaat niet meer, uit vreugde jank ik naar de maan …

Haar zoektocht is niet opgedeeld in hoofdstukken, maar in honderd dagen, waarvan driekwart letterlijk beschreven. In volgorde kopt iedere dag datum en tijdstip, geografische duiding en hoogte, een beknopte aanvulling met weerbericht en/of omgevingsfactoren. Onder ‘divers’ worden indrukken aangegeven, onder ‘kleur’ varieert de aanduiding van goud via rood en groen naar blauw. Goud wordt het meest vermeld, groen volgt, dan rood en vervolgens blauw. Ik kan over de bedoeling fantaseren, een verklaring heb ik niet ontdekt.

Met de zoektocht verpulvert Arita Baaijens naar eigen zeggen in een oogwenk jaren van misere. Op uitnodiging, met financiële steun, camera en toebehoren mee, tolken en gidsen om te leiden, cowboy Wayne Poulsen om te lijden. 

“Het paradijs zoeken gaat over een gemis, een verlangen naar iets wat de mens ooit bezat en is kwijtgeraakt. Dat geldt ook voor mij”, aldus Baaijens. Haar leven bestaat in essentie uit meebewegen en haar rijdier(en) vertrouwen (deze reis te paard).

Als liefhebber ontkom ik niet aan nog zo’n mooi citaat uit Arita’s boek:

… Staande op de rand van een door schurend ijs uitgeslepen sleuf kan ik maar moeilijk bevatten dat zoveel grootsheid in twee kleine ogen past. Voor me ligt een hemelsblauw en amandelvormig gletsjermeer, Maralia, waaruit koude tranen een glibberspoor trekken over de olijfgroene bergtoendra waarop besjes van sneeuw glinsteren … Was ik maar een ballonvaarder die vanuit een mandje de samenhang tussen bergen, dalen en rivieren kon zien … Hoe dan ook, ik wil dansen en springen … De rust die de natuur uitstraalt zal door je stromen zoals zonlicht bomen binnenstroomt … 

Baaijens besluit haar boek met een epiloog. Zij haalt woorden van Rebecca Solnit - ‘A Field Guide to Getting Lost’ - aan. ‘Blauw is de kleur van eenzaamheid en verlangen, van dromen en een verre einder. De kunst is te leven op de rand van het mysterie, waar vragen niet op antwoorden wachten, maar richting geven aan de zoektocht die nooit ten einde komt.’

Arita’s ‘Zoektocht …’ heb ik uit, mijn leestocht is ten einde. Geen paradijs, blauw blijft mijn favoriete kleur. Verlangen? Het boek had spannender mogen zijn. Verre einders? Aan zoeken naar goud, rood, groen of blauw komt nooit een einde.