petersamuel.reismee.nl

Tenerife, tijdje terug

Lang geleden

In mei 1493 komt een Spaanse strijdmacht van duizend man infanterie en 150 paarden op Tenerife, vlakbij Santa Cruz. Onder leiding van Alonso Fernandez de Lugo luidt hun missie om de laatste van zeven Canarische eilanden te veroveren. De andere zes zijn al sinds 1402 veroverd in een strijd die uit naam van de Spaanse kroon door huurtroepen, vrijbuiters en andere mislukkelingen wordt gevoerd.

Het verhaal van de verovering is tot dan toe een triest verhaal van bedrog, moord, slavernij en ballingschap, waarbij de Spanjaarden niet op kunnen tegen de pijlen en bogen en guerillatactieken van de eilandbewoners.

Eerdere pogingen om Tenerife te bezetten zijn vruchteloos, maar de Europeanen blijven lang genoeg om onder de indruk te raken van de lokale bevolking. Volgens hun verklaringen zijn bewoners lang en blond, met blauwe ogen. Zij noemen zichzelf ‘Guanches’, van guan (man) en che, een woord dat naar de berg Teide verwijst. Guanches zijn dus ‘Mensen van Teide’ (of - uitgebreider - van Tenerife). De naam Guanche wordt vervolgens gebruikt om de inwoners van alle eilanden aan te duiden, hoewel die in veel stammen zijn verdeeld.

* * * * *

Niet zo lang geleden

Op de eerste maandag in april van 2007 zal Taxi Haulo om 13.20 uur langskomen om ons naar Schiphol te brengen. Wij zijn net naar ‘Hoeve Zuid Endt’ verhuisd, gelegen aan de Hondsbosseweg in het Heemskerkerduin. Ik besef dat de taxichauffeur het moeilijk zal krijgen. Wij hebben ons verschanst in een verscholen vakantiehuisje, een van de ruim twintig die op een utopisch natuurgebiedje onder de rook van de hoogovens, op steenworp van zee, verstopt staan. Wonen in het blikveld van Hoogovens, later Corus, nu Tata, we hebben die keuze met een stalen gezicht gemaakt. Het is tijdelijk. ‘Kapitein’ Admiraal ziet het in ons zitten. Wij in hem en in zijn paradijsje.

Hoeve Zuid Endt is met de auto bereikbaar. Ons huisje - voorheen ‘Bekijk ’t’ - is honderd meter ver het boerenerf op. Bewegwijzering ontbreekt. Gastheer tevens beheerder Admiraal vindt de benaming ‘Bekijk ’t’ maar niks. Bij onze komst verwijdert hij het naambordje subiet. Het huisje blijft geinig gelegen, op een rustig plekje. Maar je zult taxichauffeur zijn. Wij hebben een sociale inslag, houden heel vaak rekening met anderen en zeulen dus onze koffers alvast bijna driehonderd meter naar het kruispunt, waar de Hondsbosseweg daadwerkelijk als Hondsbosseweg met een straatnaambord staat aangegeven.

Om klokke 13.20 uur precies rijdt een achtpersoons busje op de geur van onze verhuisinspanningen en vakantievoornemens af.

“Ik heb het verderop gevraagd”, zegt de chauffeur. “Maar uw huisnummer wisten ze niet thuis te brengen. Bestaat dat nummer wel? Want waar komen jullie nu vandaan?”.

Ondanks reusachtige scheuren in de voorruit van het gedateerde busje - wij zijn de enige passagiers - arriveren we ruim op tijd op Schiphol. Voldoende tijd om in vertrekhal 3 in te checken. Erna’s koffer van zestien en mijn koffertas van acht kilo leveren tezamen geen probleem op.

We hebben ruim tijd voor een drankje en Italiaans broodje zalm. Het is vakantie.

On the move

Reizen is voor even je huis kwijt zijn. Dat zijn wij gewend, binnen een half jaar sjouwen we voor de zoveelste keer onze boedel naar onbekende bestemming in onze provincie. We nemen niet de tijd om terrein te verkennen, kiezen bewust voor een aansluitende vakantie om van de beslommeringen bij te komen.

Op reis naar Tenerife zijn we onmiddellijk weer ons huis kwijt. Het vliegtuig neemt de plaats in, vier-en-een-half-uur door de lucht. De reisduur is geen probleem, we zijn al eens naar Nieuw Zeeland gevlogen. Verzorging onderweg is - tot onze verbazing - ook pico bello. Pasta, broodje, drankje smaken voortreffelijk. Maar de buren 


Erna naast mij aan het raampje ter rechterzijde, mijn linker buurvrouw de weg naar het gangpad versperrend. Haar arm in wijde mouw schuurt, schurkt en stoot steeds tegen mij aan, hoewel ik de leuning niet belast. Mijn voorganger schakelt zijn stoel onrustig in z’n achter-, dan weer in z’n vooruit. Een vrouwelijk stel achter ons - treffen wij weer - pakt steevast onze rugleuning vast, klapt het tafeltje ertegen en hort en stoot met knie, voorhoofd of welk lichaamsdeel ook tegen onze rug. Ineengekrompen in nauwe schulp neem ik mij voor om geen vlieg kwaad te doen. Erna kijkt naar buiten, waar geen vogeltjes fluiten 


Op Tenerife vinden wij onze koffers terug. We speuren naar onze huurauto, gecamoufleerd door de aard van de Spaanse verhuurder. Zijn kantoortijd is om, kantoor is gesloten, dus vergen autosleutels en papieren achttien euro extra. Cash. De tank blijkt niet vol, maar voor 98 procent met lucht gevuld. Dat stinkt (niet).

We deponeren onze bagage in de achterbak. Achter het stuur wil ik mijn rugzakje op de achterbank hevelen. Mijn stoel buigt niet mee. Zoeken, trekken, duwen, geen beweging.

Zegt Erna: “Je kunt toch uitstappen en gewoon de achterdeur open doen”.

Klojo die ik ben. Weet ik veel dat we in een vierdeurs Renault Clio zitten.

Wanneer je in het donker door veel haarspeldbochten buiten het seizoen een kleine honderd kilometer naar de andere kant van het eiland Tenerife wilt, is het raadzaam jezelf al bij het vliegveld van verse brandstof te voorzien. Om zeker te zijn dat je vooruit kunt. Eerst tanken, dan naar onze bestemming koersen, universele logica.

Ons huis voor even kwijt treffen we opnieuw een boerenhofstee. Moeder-de-vrouw des finca's wacht ons met haar schone dochter op, ondanks het late uur vriendelijk lachend. ‘Was ik solo op reis, begon ik hier meteen een B&B. Inclusief receptioniste’, flitst door mijn hoofd. Ik rem de Clio af, Erna mijn gedachten.

Ons onderkomen is riant, twaalf bij zes meter huis-, slaap-, badkamer en keuken. Op z’n Spaans betegeld met zalmroze gemarmerde estriken van dertig bij dertig centimeter. Oppassen om niet uit te glijden, porseleinen kopje goed bij het oortje vatten. Huis voorlopig kwijt, verblijfplaats prima-de-luxe.

De oceaan ruist op de achtergrond een enorme rust. Pasen in aantocht. In de kamers zijn alle muren eigeel geschilderd. Charmant decor.

Heilig weekje

Ondanks aankomst rond middernacht staan we niet eens zo laat op. Om tien uur meteen naar Garachico voor de broodnodige boodschappen. Echte dorpse rust heerst in smalle straatjes met huisjes voorzien van houten balkonnetjes. Autobussen hebben Spaanstalige lading gelost. Ze mogen niet in de kern parkeren, staat alom aangekondigd. Vanavond vult de ‘Procesion’ de dorpsroute.

Een oude baas veegt bij de grote kerk sigarettenpeuken op. In mijn antieke Spaans vraag ik: “Fiesta este noche?”.

Hij kijkt me onderzoekend aan. “Semana Santa. Procesion”.

Het winkeltje voor onze inkopen is om de hoek.

“A la derecha”, geeft het manneke aan.

We slaan eerste levensbehoeften in, optocht van wijn, fruit, yoghurt, kaas, ham, brood. Juist in andermans huis moet je aan gefermenteerd druivensap, gepasteuriseerde laat staan gesteriliseerde melk is non potable.

Vanuit ons domein zien we bananenplantages, op het oog verdord. Soms een verdwaalde kam van een meter. We zijn niet op hoogtestage, gaan niet joggen, koolhydraten kunnen ons dus gestolen worden. Erna zakt in haar kuipstoeltje onderuit, burka tegen felle zon over haar hoofd, blonde kuiten bloot. Va-kan-tie! Het zonnetje lonkt, schijnt, verlicht, de blauwe oceaan glinstert in uitdagend azuur met een rand van schuimwitgolvend geweld. De thermometer stijgt naar twintig heerlijke graden. Salamanders van soms wel dertig centimeter scheren langs de muurtjes. Donkergroene tot zwarte puisten dekken ons op het terras in de rug, het bergmassief van de Teide.

Onze knip(kaart) gebiedt om buiten de deur te eten. ‘El Pescador’ in een achterafstraatje oogt lekker ontspannen. Het bord voor de ingang meldt een goedkoop dagmenu. In drie gangen komen Canarische specialiteiten aan ons voorbij.

Erna verkiest vissoep met een mossel en een gamba. Dan zeebaars met pappas arrugadas, ongeschilde in zeezout gekookte aardappeltjes, voorzien van twee potjes mojo, groene en rode saus. Tot besluit volgt haar toetje van chocolademousse met platano (banaan), waarop een stevige toef slagroom uit spuitbus.

Ik neem bacalhau (stokvis), die erg zout smaakt. De ontdooide vis heeft twee gamba’s en een langoustine aan boord, zeevruchten waarvan je vingers zo geparfumeerd gaan geuren. Mijn aardappels zijn ook in de schil gelaten, maar zacht gekookt. Zonder zeezout. Dat is naar de geconserveerde kabeljauw doorgesluisd. Een schotel gezonde gemengde salade lacht naar ons allebei. Ik bestel tiramisu toe, een proefhapje gaat naar Erna. De witte huiswijn delen we, ik een slokje meer.

Garachico is niet klein te krijgen door de gesmolten lava die in 1706 naar binnen stroomt en een groot deel van de havenstad verwoest. De bevolking herbouwt haar stad tot charmant stedelijk erfgoed. Lavarotsbaden zijn een aandenken aan de vulkaanuitbarsting van drie eeuwen geleden. Een verborgen juweel ligt aan de Glorieta de San Francisco: La Quinta Roja.

Wij zitten langdurig na in de patio van het dieporanje landhuis.

* * * * *

Garachico, Semana Santa 2007:

!Oh cruz fiel, arbol

unico en nobleza!

Jamas el bosque dio

mejor tributo en hojas,

en flor y en fruto.

!Dulces clacos!

!Dulce arbol donde

la vida empieza con un peso

tan dulce en su corteza!

* * * * *

Grillige Gigantes

Garachico is een dorpje tegen een heuvel aan de noordkust van Tenerife. Bebouwing is laag, voornamelijk witte en authentieke huisjes met houten balkons aan smalle, hellende keienstraatjes. In de oude kern staan gemeentehuis en kerk aan een sfeervol pleintje met bankjes, waar wij spelende en aan hun kont krabbende kindertjes een half uurtje gadeslaan. Simon Bolivar - standbeeld op dit ‘Plein van de Vrijheid’ - kijkt ook toe. Hij ziet een van de kinderen in een verscholen hoekje door de knieĂ«n zakken en haar hoognodige plasje lozen.

Als de avondklok tegen achten wijst, zakt de zon uit beeld, wordt de wind frisser en verdwijnen onze lust en geduld om de ‘Procesion’ af te wachten. We begeven ons door de autovrije straatjes naar ons onderkomen. Zonder het religieuze evenement te hebben aanbeden vallen we na enig lezen en een enkel kruiswoordpuzzelwoordje invullen als blokken in slaap.

Ooit was Puerto de la Cruz de haven voor de rijke zakenstad La Orotava in het achterland. Wij zoeken het in de jaren 1960 ontpopte belangrijkste toeristenoord van Tenerife op. Lelijke, hoge hotels ontsieren de skyline, gemĂȘleerde drukte staat ons tegen. We blijven niet lang, keren terug naar ons appartement, waar we luierend van een verder autoloze dag genieten. Beetje lezen, beetje schrijven. Erna sudokuut er op los.

Op nog geen twintig kilometer van ons verblijf ligt Punta de Teno, het noordwestelijkste puntje van Tenerife. De vuurtoren staat in verlatenheid tussen zwarte en bruine lavarotsen, waartussen vissers hun exquise maaltje uit zee proberen te hijsen. Knalgroene vetplantjes vallen op in fel zonlicht, ze doorbreken het gitzwart van de ruwe vulkaanstenen. Op verre hoogte staat een grote gele blokkendoos. Wie daar woont, heeft vast en zeker geen hinder van zijn buren. Boodschappen doen is wat lastiger.

Om de hoek, in de richting van Los Gigantes, steekt een half dozijn uitgeschuurde hoge grillige bergkammen z’n neus in de woelige zee. Het lijken grof uitgehouwen koppen, die de blik op eindeloze emigratie naar verre oorden richten. Zeedampen waaieren als rookpluimen van sigaretten tussen de barranco’s vandaan richting zee. Voor rust en natuurgenot kun je beter hier blijven, in ieder geval rond de klok van elven, koffietijd. Hoewel enigerlei voorziening daartoe in geen velden of wegen valt te bekennen.

De rust is nog niet eens volledig in mijn hoofd neergedaald of een krakkemikkig en geblutst bestelautootje dient zich aan. Twee jochies stappen uit, zetten hun gettoblaster op het dak van het geparkeerde koekblik en draaien de volumeknop open. Ongevraagd mogen wij meegenieten van deinend Macarena-gestamp. De bastaarden. Buurman La Gomera lacht ons buiten gehoorsafstand, van achter een behaaglijke wolkenrand met zwarte kruin, geanimeerd toe.

Op het vrijwel uitgestorven Punta de Teno wordt aan de infrastructuur gesleuteld. Voor hoogbouw ten behoeve van massatoerisme? Voor hotels, cafe’s, restaurants? De grond waar wij staan, wordt omgeploegd. Komt er een betonvloer te liggen? Wij achten bewerking van de bodem hier misplaatst. Geruststellende rust zal verdwijnen, alom om ons heen groeiende kandelaarswolfsmelk eveneens. Dat moet men niet willen.

Todo tranquilo

Punta de Teno is een van de oudste overgebleven vulkanische uitlopers van Tenerife. Miljoenen jaren geleden spuwde dat waarvan de Guanches geloofden dat het de duivel was, zijn gesmolten woede deze kant op. Nu staan hier sterke kliffen die zich in zuidelijke richting terugtrekken vanuit dit westelijkste puntje van het eiland. De omgeving heeft een ongetemd, wild gevoel dat nergens op het eiland wordt geëvenaard.

En wij hebben het Teno-massief niet eens beklommen 


Op de terugweg stoppen we nog voor zo’n zwarte ‘Afrikaanse’ kop uit lavasteen geschuurd, zeg maar ‘Black Boy’, die de oceaan bestudeert. Het is Mirador de la Monja. In het felle zonlicht steekt hij als een halve maan - schaduwzijde pikzwart - prachtig af tegen het donkerblauw van de oceaan en lichtblauw van de hemel. Zes windmolens op rij wuiven hem koelte toe. Zij wekken slechts nieuwsgierigheid op. Op dit verlaten plekje in de bocht, waar het lastig parkeren is, heeft iemand zijn fototoestel op een stenen bankje laten liggen. Liggen laten, luidt ons devies. Wellicht keert de rechtmatige eigenaar terug, en anders hoeven wij er geen schuldgevoel aan over te houden.

Door de stedelijke spreiding is het moeilijk te zeggen waar Buenavista del Norte eindigt en Los Silos, vier kilometer verderop, begint. Je merkt in ieder geval wel dat je je in een bananenlandschap (van een koninkrijk, Spanje is geen republiek) bevindt. Waarom hebben wij eigenlijk bananen in de supermercado gekocht? Krom, krom, krom 


Op het centrale pleintje van Buenavista d. N. drinkt Erna haar gebruikelijke cafe con leche, waar ik mijn even zo gebruikelijke cerveza tegenover stel, dit keer een pijpje Dorada. Gitaarmuziek klinkt vanachter de bar onder de muziekkoepel naar buiten, duiven storten zich uit de omringende laurierbomen omlaag om hier en daar hun graantje mee te pikken. Het is het gemoedelijke Spaanse leven, met veel geklets en allerlei soorten geluiden dwars door de muziek heen. ‘Todo tranquilo’, uiterst gemoedelijk dus. En het zonnetje brandt, en brandt, en brandt.

Het is twaalf uur, de kerkklok slaat het precies. Bij wijze van ritueel slaat een zeer gebruinde, invalide man in zijn rolstoel voor de ingang van het kroegje - hij kan er simpelweg niet naar binnen - zijn bestelde neut in een keer achterover. Aansluitend wisselt hij wat muntjes uit met de ober. Plots start een reusachtig tromgeroffel van kerkklokken dat minstens een minuut lang aanhoudt. Even stilte, dan nogmaals. Het is geen gevoelig carillon, meer een metalig klinkende tamtam die in rap tempo de laatste nieuwtjes doorseint.

Aan de slotklanken is het weerbericht af te luisteren: son, son, son. Net wanneer wij denken ‘Hoe vaak zullen ze het herhalen?’ start een derde lawaaigolf. Is dit computergestuurd?

De allerlaatste slagen klinken als vuistslagen. Tamtam, Bambam, bis bis, luider, luider. Om vijf over twaalf herpakt de gitaarmuziek zich. Het klokgelui dempt, valt stil. Een tiener schuift een helm over zijn oren. Zijn brommer geeft gas, de uitlaat blaast als schuiftrompet een hymne vol vurige voetnoten in opzwepend ritme van een flonkerende flamenco.

Po, pauw, plasgoot, pikante worst

Onder druk moet Erna haar gefilterde koffie kwijt. Zij gaat naar binnen om naar de po(t) te vragen. De barkeeper verwijst naar buiten, naar de bibliotheek aan de rand van het pleintje. Uit rap Spaans met handgebaren vertaalt ze dat de sleutel op de eerste etage hangt, waarmee zij op twee hoog haar plasje kwijt kan. Klaterend van de lach keert ze met dit verhaal terug. Wij plassen nooit in een bibliotheek, zeker niet in een Spaanse.

Op het terras staat een diepvrieskist met overheerlijke ijsjes in de volle zon. ‘Crocante y almendrado y mas’. Til de klep op, neem een verkoelende duik, kies en reken binnen af. Klantenvertrouwen is er groot. Om tien over twaalf rammelt de kerkklokkenluider nog enkele slagen. Waarom? Wil hij melden dat hij nog steeds op zijn post is?

Even buiten Garachico passeren we Mirador de ‘El Emigrante’. De naam zegt het: van hier konden vrienden en kennissen emigranten naar Amerika zien vertrekken. De gebeeldhouwde emigrant zeult een vijftal uit beton gehakte koffertjes achter zich aan. Die moeten hem heel wat overgewicht hebben gekost. In ieder geval inspanning.

Aankomst bij Masca, bergdorpje op zeshonderd meter hoogte, is theatraal, zowel vanuit het noorden als vanuit het zuiden. Een lange kronkelweg leidt langs fantastische uitkijkpunten. Je ziet voortdurend de Barranco de Masca, het ravijn waarin het gehucht ligt. Het uitzicht op zee is grandioos. Een terraza is zo perfect gelegen dat het lijkt alsof de ondergaande zon door het ravijn in de oceaan zakt.

De kern van Masca loopt uit in een richel die op een tong lijkt. Hij is tot het midden vanhet ravijn uitgerold. Aan beide kanten van deze onbeschaamde lik aan het landschap, prachtig bezaaid met boerderijtjes en palmbomen, storten humorloze ravijnwanden de diepte in.

Wij hebben de route vanuit het noorden naar Masca genomen. In het dorp aangekomen dreigt tussen twee oprijzende bergrotspartijen door uit de donkerte van de zee het eiland La Gomera ons als een angstaanjagende demon te overvallen. Onderweg hield het andere ‘monster’ La Palma zich op afstand ten minste een beetje gedeisd. Het uitzicht is imposant, ook dat op Masca zelf. Parkeerplekjes zijn niet meer te vinden, elk hoekje en gaatje is gevuld. Toch word je niet onder de voet gelopen. Ik slaag erin ons huurkarretje op z’n zij, op twee wielen dus, in de plasgoot langs de weg tegen de bergwand te hangen.

In Masca ademt alles het einde van de wereld. Een stoere pauw komt ons begroeten. Onder palmbomen genieten we rugdekking van een reuzehoge zwartstenen hoed met halverwege een rand van rafels als orgelpijpen. Wat creëert Moeder Natuur toch allemaal!

In ‘Casa Riquelme’, angstaanjagend mooi erkertje, serveert Riquelme ons een schaal tapa’s van rauwe ham, kaas, pikante worst en olijven. Dat doet onze ‘lekkere trek’ deugd, bij het traditionele biertje en een verrassend glas tropicana. Met zijn tarieven weet Riquelme goede raad. Dat is hem in deze ver-van-de-bewoonde-wereld contrei gegund.

Los Silos, losse surfers

Vanuit Masca wagen wij ons niet aan een afdaling te voet naar zee. We inhaleren het panorama vanaf ons eetbalkonnetje, waaraan een halfrond tafeltje hangt, mozaïekig ingelegd met stukjes straatsteen. Een schroef verankert het blad aan een lichthouten hekwerkje dat ons van tientallen meters diepte scheidt. Adembenemend. Ook hier, ver van de begaanbaar bewoonde wereld, blijkt het onmogelijk om stilte te laten zegevieren. Twee Engelstalige echtparen op leeftijd nestelen zich als een kwartet kwekkende kwartels met accent vlak naast ons. Hun snaters staan niet stil, niet bij het nuttigen van hun tapa’s, niet onder het roken van hun stankstok die sigaret heet.

Glurend door de spelonk - Barranco de Masca - zien wij een bootje langs de kust. De opvarenden genieten in de verre diepte ongetwijfeld wel van oorverdovende stilte. Dat zal ’s avonds en ’s nachts bij Masca-bewoners niet anders zijn. Een roofvogel suist plots over ons heen, loerend naar een stukje Chorizo. Of naar de Canarische duif, die wij op het dak met opvallend glimmende purperen nek de zon zagen aanbidden. Kat en hond komen ook nieuwsgierig langs. Onder gebiedende dwang van mijn voet degradeer ik de inbrekers tot verschoppeling. Heel klein kon ik al een aardig balletje trappen.

Bijna terug in Garachico blijkt tot onze verrassing een supermercado even voorbij onze finca gevestigd. Groot en goedkoop. Het voedseleldorado ligt een kilometer van ons onderkomen, in de richting van het schattige Los Silos. Voor weinig euro’s hebben we veel keuze. Deze zaak is stukken voordeliger dan eerder, toen ik in het dorp wat blikjes bier - Dorada - insloeg. Wij zullen vaker in deze ontdekking terugkeren, anders dan het Hollandse stel - ervaren Tenerife-gangers - dat zijn inkopen liever in Puerto de la Cruz, dertig kilometer verderop, blijft doen.

Een avondwandeling in stralende zon leidt ons via de achtertuin vol bananen naar rotsen langs de branding van de oceaan. Het lavagesteente is steil, grillig, grotendeels ontoegankelijk. Strandwandelen is levensgevaarlijk. Op de terugweg loeren de doden van Garachico vanuit betonnen flatgebouwtjes, vier etages hoog, sommige opgefleurd met een tuiltje bloemen, in zwijgende belangstelling naar ons. Zij luisteren in ruste naar het eeuwige gezang van de oceaan die de kust beklopt. Als een meeuw op een rots staar ik over woelige baren naar de einder. Ik ontwaar acht stippen. Golfsurfers pogen hun rijbewijs te bemachtigen.

“Dat zijn boeien”, beweert Erna stellig.

Ik sla de pogingen geboeid, maar onzeker gade. Ik twijfel. Iedereen kan de plank mis slaan.

Ik draai me om, de zon verblindt.

“Die slinger hebben we zigzaggend gereden”, wijst Erna naar een berglint.

Ik zet mijn zonnebril op. Op de top - vijftienhonderd meter - schittert een machtige villa tegen avondlijk hemelblauw.

“Het is eenzaam aan de top”, mompel ik. Ik fabuleer de parapenter die hangend onder een luchtbed uit zijn slaapkamerraam springt.

“Wel schitterend uitzicht”, concludeert Erna.

“Maar je zult vers brood moeten halen”, werp ik, die thuis de boodschappen doet, tegen.

Deze avond gaan we bijtijds slapen. De zingende zee wiegt ons muzikaal.

Strelizia, stilte

Goede Vrijdag brengt opnieuw stralend weer. We willen naar El Sauzal. Aan het eind van de heilige week - Semana Santa - rijdt chauffeur ‘San Pedro’ via Autopista del Norte - 120 kilometer per uur toegestaan - langs San Nicolas en Santa Ursula in de richting van heilig kruis Santa Cruz. We krijgen het niet opgespeld, passeren de kruispoort - Puerto de la Cruz - en dalen voorbij La Victoria (eerbetoon aan de voormalige ‘crack’ van de Hilversumse HC&FC) neer in de stilte van El Sauzal.

Onderweg draagt de Pico de Teide nog een witwollig petje, bij aankomst heeft hij dat afgeblazen, hervormd tot wolk grijze sigarenrook. In El Sauzal huist Miradora de La Garanona, een weelderig begroeid parkje vol plantensoorten. De tuin hangt op een rand, zo’n driehonderd meter recht boven zee die nu nog in ruste is, al lijkt zijn schuimwitte rand in de diepte verandering aan te kondigen.

Ik nestel mij op een rondstenen bank, om een yuca heen gedrapeerd, naast een door Erna aangewezen strelizia die zijn oranje blaadjes omhoog en een groene scherpe bladpunt van mij af priemt. Tot mijn geluk, want de messcherpe pijl kan met gemak een hart doorboren. De kleurrijke huisjes van El Sauzal hebben een fantastische view over de oceaan. Op een bordje lees ik ‘Se vende’, ik noteer het telefoonnummer.

“Geintje”, plaag ik Erna een poquito. “Ik ga heus niet bellen, hoor”.

Vandaag heeft bellen trouwens geen zin, het lijkt voor de eilandbewoners een vrije dag, zo stil is het. Dat blijkt bij navraag ook voor de meesten, die op Tweede Paasdag wel werken, dag die op Spanje’s vasteland weer als feestdag geldt. Met name in Barcelona, wordt hier met nadruk gemeld. El Sauzal - pueblo en flor - is een stadje in bloei. Kwart voor elven, zalige rust. Het is hier plant- en bloemrijk, wij voelen ons alleen op de wereld. Allemachtig machtig hoog en droog.

Onderweg valt op dat meerdere joggers en wielrenners zich over het asfalt langs de kust voortspoeden. Geef mij ons duingebied met oerossen maar, om je lijf af te beulen. Hier op de snelweg lijkt uitstoot uit het achterste van heilige koeien minder gezond. Er rijden er nogal wat. Iedere Spanjaard neemt de auto, blik raast in overvloed langs, brandstof is stukken goedkoper dan bij ons, zowat de helft. Spelregels zijn ook anders. Snijden is onderdeel van het voortracen, dat moet je niet al te nauw nemen. Het viel mij eerder op: ons eigen land is overbeveiligd. Hier val je - geen afscheidingshekje te zien - makkelijk in welke diepe kloof dan ook. Of je nu in een grillige barranco vertoeft, of over gecultiveerde pleintjes of boulevards loopt, waar her en der flinke gaten of zelfs spelonken valkuilen kunnen zijn.

Het witte kerkje van San Pedro - de apostel - staat vredig aan zijn pleintje met begroeiing. Stenen bankjes bieden een mooi panorama van de oceaan en de naar boven priemende Teide, dit keer met een hangsnor. Binnen in het heiligdom aanbidden gelovigen mijn naamgenoot in serene stilte.

In een hoek van het kerkplein scheldt een zestal zich vervelende Spaanse pubers elkaar voor rotte vis uit. Cabron! Capullo! Bacalhau? Schelvis? Op de hoek nemen wij een kopje koffie en een pilsje, bij elkaar voor twee euro. Dat levert frisse moed om in de richting van de Teide te koersen, met de bedoeling om de orgelpijpen te beluisteren - Los Organos. We missen echter de richtingbordjes - slordigheidje van chauffeur - en na een tijdje stijgen beseffen we dat je veel looplust moet hebben om een wandeling te maken. Die hebben we even niet, verwend als we zijn met bergmassieven uit de West-Amerikaanse nationale parken op ons netvlies.

Ten tijde van de Guanches wordt Valle de La Orotava (vallei) al beschouwd als een van de rijkste landschappen van Tenerife. Spaanse kolonisten trekken hier naartoe, het dal is nog steeds een luxe boerenoase. De stad La Orotava, met het best bewaarde historische centrum van de hele archipel, komt in de 18-e eeuw tot bloei als belangrijke families uit La Laguna hier komen wonen en de rijkdom, die zij met hun wijn hebben verworven, aanwenden om landhuizen en kerken te bouwen.

In La Orotava heeft de menselijke uitstoot van de net afgelopen processie onze drang om langdurig in de auto te zitten naar de zevende hemel gezonden. Maar uitgebreid wandelen hoeft dus ook weer niet, want het is 12.30 uur. Etenstijd dus. Dat is op het terras van een goed aangeduid restaurantje te zien. Alle tafels zijn bezet, spelende kinderen te over.

Hoewel we flinke trek hebben, daagt dat adres ons niet tot bunkeren uit. We sturen bij en maken rechtsomkeert. Naar de top van de Teide komt een andere keer wel aan de beurt. In Aquamansa stoppen we bij Bar Restaurante ‘Cruz de Tea’. Het is tamelijk klein, lijkt onbezocht, maar het terrasje met knalblauwe plastic tafeltjes en stoeltjes lokt. Uitzicht op zee in de verre diepte en - Erna ontdekt ze in de schaduw - aan de andere zijde de donkere silhouetten van orgelpijpen. Los Organos in het vizier.

Zo zitten we muy bien aan gemengde salade, die een biefstukje - nou ja, stukje, zeg maar gerust stuk - voorafgaat. Slechts het geluid van een gele kanariepiet en twee wat grotere soortgenoten, ieder in hun eigen kooitje aan de dakrand, begeleidt onze maaltijd. Zij vormen een waar huisorkest, de orkestbak getralied tegen de okergele muren van het barretje geplakt. Let wel, in de volle zon. Het dakje van de kooi bestaat uit een tussen de tralies gefrommelde reclamefolder.

Het is ongelooflijk maar waar, van de vijf tafeltjes en twintig bijbehorende stoeltjes zijn alleen de onze bezet. Terwijl de breeduit platgeslagen, toch dikke biefstuk - biftec de Res - toch prima smaakt, met reepjes patatas erbij. Als wij in Garachico terug zijn, beginnen veel Spanjaarden aan hun maaltijd, zo rond 14.00 uur.

Garachico is op deze vrije dag, met een lang weekeinde als gevolg, tot een ‘gekkenhuis’ verworden. Geen parkeerplaatsje is meer vrij. Wij zullen onze ansichtkaarten op een ander moment moeten kopen.

Bij ons appartement staan de auto’s vanwege het belendende restaurant Ribamar tot aan ons toegangshek geparkeerd. Wij kunnen er net tussendoor. Erna schuift het hek open en San Pedro rijdt de riante binnenplaats vol parkeerruimte en ficussen, yuca’s en eucalyptusbomen binnen. Achter onze rug sluit de poort ons af van het kippenhok met de naam Ribamar, tot de nok toe gevuld met kakelende Spanjaarden die hun maaltijd naar binnen werken.

Deze Goede Vrijdag is de beste sinds tijden. De hele dag schitterend weer, een namiddag en avond om te zoenen. Wij prijzen onszelf de hemel in, van waaruit twee hanggliders achter onze rug neerdalen. Tot bij achten hebben we op ons terras van de zon genoten, zo’n beetje tot de laatste planksurfer het water uitstapt. En die jongens weten het lang vol te houden, die kunnen er geen genoeg van krijgen. Moet je bedenken dat hun oceaangolfjes vergeleken bij die van Robbie Naish in Hawaii nauwelijks iets voorstellen.

“Soms begrijp ik niet waarom zij niet op zo’n hoge golf stappen”, oordeelt Erna in in mijn ogen volledig terechte wijsheid omtrent kennis van zaken in het planksurfen.

Voor wij het Paasweekeinde ingaan eerst nog maar even boodschappen doen in de supermercado ‘om de hoek’. Dit houden we niet voor mogelijk: todo tranquilo. Keuze te over en amper klanten, heerlijk. Bij de bedieningsafdeling voor vleeswaren en kaas moet je een volgnummertje trekken. Het venster wijst 34 aan, ik trek een bonnetje met 46. Er staan twee klanten, van wie er een wordt geholpen. De ander trekt na mij nummer 47. Als de eerste klant bediend is, vraagt de medewerkster in snel Spaans wie aan de beurt is. Het venster blijft gewoon op 34 staan, mijn buurvrouw laat haar bonnetje met 47 zien. Ik toon bonnetje 46 en krijg - in eerste instantie - voorrang.

“Twee ons jambon, por favor”.

“Doscientos?”.

“Si, si”.

De winkeljuffrouw pakt een grote bonk ham om plakken af te snijden. Dan nadert een andere klant uit de diepvriesbuurt verderop. Zij showt bonnetje nummer 45.

“Ik ben aan de beurt”, meen ik te verstaan.

De grote ham gaat terzijde, uitgebreide discussie volgt. Ik laat de polemiek passeren, zou het handiger vinden om op het toonbankknopje te drukken, 34, 35, 36, 
 , 43, 44, 45. Leg dat als Hollander maar eens in vlot Spaans uit.

Hoewel de tweespraak niet is afgerond, krijg ik het voordeel van de twijfel. Dat voelt als een voorkeursbehandeling, een prerogatief. Vermoedelijk word ik ingeschat op slechts twee ons ham, waar mijn rivale weekendboodschappen voor haar hele gezin inslaat. Wat zeggen Tinerfenos ook al weer? “Todo tranquilo, todo tranquilo 
”.

’s Avonds wandelen we nog wat door Garachico en doen de ene na de andere impressie op. Hotel ‘La Quinta Roja’ blijft de kroon spannen. Deze voormalige markieswoning - nu luxe hotel - huisvest schildpadden in de tuinvijver. Twee pittoreske patio’s sieren het pand. Elders in het dorp ontdekken we nog meer patio’s en een publieke tuin met put en bruggetjes. Dat wordt dus even stilstaan, reminisceren.

Fin de la Semana

We nemen in Garachico op een terrasje plaats en twaalf apostelen rollen op rubberen wielen achter ons langs. Geen skeeleraars, maar beeldende elementen uit de processie van Domingo, de slotdag van de Heilige Week. We vermoeden dat parochianen uit het dorp de optocht aan het voorbereiden zijn. De inwoners weten vast van de hoed en de rand, want over hun balkons hangen alom donkerrood getinte, geel gebiesde kleden om de route van de Procesion luister bij te zetten.

Het terras op Plaza Libertad draagt een gemoedelijk sfeertje. Geklets aan tafeltjes, achtergrondmuziek, voetballende toppertjes-in-spe, Ronaldinho voorop, in blauw-rode shirt van het Catalaanse Barcelona. Garachico, authentiek, gezellig.

San Pedro de Daute

Se funden las campanas cuando - ajadas -

dejan de proclamar su angeleria;

mi San Pedro de Daute: fundiria,

si pudiera, tus carne agrietadas

Tus moradas de ayer, apuntaladas

por el encanto de tu hechiceria,

si tuviera poder, las alzaria

a mansiones de azul, resucitadas

Asomado al cantil de la colina

por donde el horizonte se domina,

tus grandezas pasadas certifico

Cinco siglos de paz dictan tu historia

y hay un gozo de luz que te da gloria:

origen y matriz de Garachico

(CarlosAcosta Garcia)

Pasen met bedekte hemel, grauwe regenjongens grijnzen. We ontbijten op ons gemak, appeltje eitje. Van de net opgestarte feestdag merken we niets. Rust en stilte heersen. Zelfs onze Hollandse buren - echte wandelaars - slapen nog. Dat constateer ik als ik na het douchen mijn handdoek buiten aan het droogrek hang. Gisteren hebben zij een uur of vijf in de buurt van de Teide gewandeld. Dat zit natuurlijk nog in hun benen, in hun hoofd, wellicht in hun hele lichaam.

Na de koffie rijden wij een kilometertje of tien naar San Marcos en zijn strand, vlakbij Icos de los Vinos. Grote flatgebouwen omringen een haventje aan de driekwart ronde baai. Vanaf een terrastafeltje op een roodwit bestrate promenade hebben we mooi zicht op zwarte strandjes, vissersbootjes, een uiteengevallen kleurloos betonnen Rubic-kubusje aan de rand van het water en ontluikend Spaans zondagochtendleven tijdens Pasen.

Om een uur of elf is het hoog tijd voor koffie en een biertje. We nestelen ons op eerbiedige afstand van de meters hoge kade, waar vissersbootjes liggen. Eentje komt uit zee aangevaren.

“Kijk nou”, zegt Erna, “ze hijsen hem de kade op”.

Een groepje oude mannetjes kijkt toe. Ik ben ook altijd nieuwsgierig naar buit uit de oceaan, maar om mij tussen hen te wurmen moet ik een stevig eind omlopen. Bovendien vragen onze consumpties nog aandacht.

Na de opkikker inspecteren we de gemoedelijke strandjes van La Caleta en Los Silos. In de afdaling naar San Marcos maken we een stop om een literfles heilig drinkwater in te slaan. Dat lukt in de supermercado met helende naam ‘Lourdes’. De kerk van Los Silos staat op het punt onze doorgang te barricaderen. Hij loopt net leeg van de dienst op eerste Paasdag. We zijn juist op tijd om die drukte bij kerkdeuren en op het dorpsplein te ontwijken.

Dubbele draak

Waar in Nederland ook, of in Spanjes Barcelona, tweede Paasdag bestaat. Dat geldt niet voor Tenerife. Hier gaan mensen gewoon aan het werk, waar wij een vrije dag of vakantie genieten, in alle rust of in duizelingwekkende drukte van een meubelboulevard. Op nog geen tien kilometer bij ons vandaan doen wij het heel kalmpjes aan. Volgens ons reisgidsje herbergt Icod de los Vinos 2.100 inwoners. Hoewel ik denk dat de drukker of zetter een nulletje over het hoofd heeft gezien, oogt het stadje heerlijk stil.

In een steile wandrace van minstens zestien procent ontdek ik in een smal straatje een Clioplekje. Erna handgebaart dat ik twee centimeter voor de neus van de auto achter mij sta, terwijl mijn eigen neus om de hoek net een nauwer straatje ingluurt. Ik trek de handrem stevig aan, laat de voetrem los - niet vergeten bij terugkomst omgekeerde volgorde te hanteren - en de Clio zakt nog een centimeter naar achteren. Muy bien, ik sta dus ik besta. Nu aan passagierskant uitstappen, want links blindeert een hoge muur mijn portier.

We dalen wandelend geen honderd meter of we ontwaren een magistrale, zij het kreupele drakenboom. Alsof hij stokken onder z’n oksels draagt. Ze hebben metalen steunen onder een paar zijtakken aangebracht. Aan een metalen ring om de machtige stam leidt een kwartet kabels naar naburige huizen die een vierkante kring om de boom vormen. Zo blijft onze manke vriend overeind, al vertoont zijn voet aan de stam enorme horizontale eeltkloven.

Een Spaanse buurvrouw op een Spaans balkonnetje tuurt over de kruin van de drakenboom. In mijn beste Spaans schreeuw ik mijn pregunta: “Drago Millenario?”.

Met een wijsvingertje heen-en-weer ontkent zij mijn geringe topografische natuurkennis omtrent Icods attractie. “No, no, no”, in het rappe ritme van een autoruitenwisser. Waarna ampele uitleg volgt over hoe wij, linksom of rechtsom - we mogen zelf kiezen - bij de ware Milenniumdraak kunnen komen.

“Si, si”, stimuleer ik haar voordracht enkele keren.

We ontdekken de tuin, waarin je tegen betaling van enkele euro’s entreegeld de gerenommeerde boom mag aanraken. Van commercie zijn wij nooit zo buitenproportioneel gecharmeerd, hoe mooi de tuin van buiten het hekwerk ook lijkt. Om mooie dingen te zien, hebben we vaak een neusje om dat zonder betaling te kunnen doen. Verderop is het hek vrij close bij de boom, hij raakt ons. Het kennersoog van Erna voor bloemen en planten is eenduidig. “Die eerste, die wij zagen, doet niet voor deze onder”, klinkt haar oordeel. Ik vind na enig ijsberen langs de afrastering dat zij volkomen gelijk heeft.

Later bewijst een folder dat binnengaan van ‘Parque del Drago’ aan Plaza de la Constitucion toch de moeite waard zou zijn geweest. Dan had Erna haar plantenkennis via Latijnse naambordjes kunnen opvijzelen. Drago Milenario. Bosque termofilo. Carbonera. Cueva volcanica Momias. Los Menceyatos. Barranco de Sauces.

“Volgens mij is dat net zo Spaans als wat hier staat”, leg ik uit. “Kijk maar: Entrada, Centro de Visitantes, Mirador. En hier is de uitgang: Salida.

Alkmaar en het Ayuntamiento

Icods Parque El Drago is mooi, zoals Parroquia de San Marcos ook mooi is met een tweelingboom, waarvan enkele takken met beide stammen zijn vergroeid. Of het een ficus is of een andere soort, weet ik niet meer. Wel herinner ik mij dat hij imposant is, en grijs, vooral het houtwerk. Zo grijs als de wolken die tegen Icod plakken, zoals Icod op zijn beurt tegen het bergmassief kleeft. Af en toe valt een zachte druppel, alsof je een drupje uit een glas morst.

“Wein pruefen?”, vragen twee lachende Spaansen schonen mij, als we door een van de straatjes vol kitsch, wijn en mojo’s passeren. En natuurlijk een gigantische uitstalling aan toeristenattributen als mini-drago’s, ansichtkaarten op placematformaat en wat niet meer.

Elf uur op de klok is koffietijd, daarvoor hoef ik Erna niet naar de door haar gewenste versnapering te vragen. De twee ons escorterende senorita’s lach ik toe, hen wijsmakend dat zij nog wat geduld met ons moeten betrachten. Als tegengeluid valt meteen een groenwitzwarte klodder mosterd op mijn T-shirt-bedekte schouder, en hij glijdt tergend traag naar m’n blote onderarm. Getver 
 De dader laat zich niet zien, wel horen. Het kan geen kookaburra zijn, want dan zou ik me helemaal de risee voelen, nu half. De dames houden het niet, proesten het uit. Ik versta iets over geluk, 
 feliz.

“Si, si, van boven, van Santa Cruz, San Marcos of welke San ook”. Ik vergeet San Pedro te noemen, maar je moet je eigen nest ook niet willen bevuilen. Ik verlang erg naar een ‘servizio’, nog voor het bakje koffie.

Het valt ons op dat de straatjes van Icod ruimte geven aan veel Spanjaarden. We zien slechts een enkele Duitser en Engelsman of -vrouw. Geen Nederlanders, eigenlijk tot onze vreugde. In de Officino Touristico treedt ons een donkerharige, zwartogige Spaanse tegemoet.

“Moechten Sie Information?”, kwelt zij ons. Meestal geef ik niet onmiddellijk antwoord. “Are you English?”, tolkt ze voort.

“No”, schudt mijn hoofd.

“Ah, Nederlands”, gokt Yolanda raak, “wat leuk, ik heb acht jaar in Nederland gewoond”.

De cheffin van het Spaanse VVV-kantoor is als tweejarig kind met haar ouders naar Alkmaar afgereisd, zo klein blijkt de wereld die ons uit Kennemerland naar haar geboortegrond Tenerife brengt. Haar vader heeft bij Hoogovens gewerkt - waar kennen we dat van? -, acht jaar terug zijn zij naar Icod teruggekeerd.

“Tu spreekt nog goed Nederlands, muy bien”, mengen wij ons door elkaar in het gesprek met haar. “Alkmaar, mercado de queso”. Een lach van herkenning straalt. Yolanda is onstuitbaar en reageert nog een kwartier door, vrijwel zonder onderbreking, in verduveld goed Nederlands, af en toe om een woordje vragend dat wij uit haar Spaans weten te vertolken. Wie onthoudt als rasechte Spanjaard nou het Hollandse woord voor ayuntamiento. De meeste Hollanders weten het woord vanuit onze taal in omgekeerde zin toch ook niet uit het blote hoofd! (Uiteraard weten wij als Spaanstalig geoefenden het gemeentehuis wel meteen naar voren te schuiven).

Paella en pappas

Op ons terras probeer ik te schrijven, boven ons hoofd zoeken steeds meer druppels vanuit de oceaan hun weg naar beneden. Erna voelt zich geroepen om de was binnen te halen, de oer-Hollandse gewoonte getrouw. Van mij mag hij blijven hangen, het zijn luttele, sprankelende drupjes. Belangrijker, ik wil gewoon doorschrijven.

Onze hospita heeft het appartement gereinigd en van schone hand- en droogdoeken voorzien. We kunnen weer limpio vooruit. Door haar positieve oordeel over de cocinero (de kok, met k-o-k) besluiten we - vanuit ons tuinhek gezien op vijftien meter afstand - rechts om de hoek te gaan eten. In de vanwege zijn goede kwaliteit en lage prijs alom bekend staande lokale vandervalkvariant Ribamar.

Nou, dat is een serieus succes. Zo hebben we op tweede Paasdag nog nooit gegeten. Onze hospita noemt twee uur p.m. als begintijdstip voor deze met wel dertig eettafeltjes gevulde eetzaal. Wij hebben echter rond half twee al hevige lekkere trek. Wat blijkt? We zijn bepaald niet de eersten, het geroezemoes zeilt ons tegemoet. De ober verwelkomt ons alsof wij regelmatig terugkerende gasten zijn. Dat wil hij ons uiteraard laten worden, zeker als we hem uitleggen dat wij buren zijn.

Voor ons Ribamardebuut wijzen we een vrijstaand tafeltje aan, helemaal achterin, dat door een glazen wand uitzicht op de achtertuin geeft, met daarachter de blauwe oceaan. Het mag van de ober, hij haalt het bordje ‘gereserveerd’ van tafel. De menukaart is in het Spaans, Duits, Engels en Frans. ‘Karaf’ klinkt overal hetzelfde en staat in een mum op tafel. De la casa? Si, si, prosit! Wat zullen we te eten kiezen?

Gezien de op vis georiënteerde inrichting van het restaurant - de rechthoekige, lange eetzaal heeft lichtblauwe wanden en een groot visnet aan het plafond met een krab en twee verdwaalde zwaardvissen erin - moeten we wel voor een schotel vol pescadores gaan. Grijnzend komt onze vriend langs en noteert hij de door ons gekozen paella voor dos personas. Denken we.

Even later keert hij op zijn schreden terug met de vraag of we de pappas op z’n arrugadas willen, wat zoveel betekent als met veel zeezout. Wij kijken elkaar aan. Paella met gekookte, zeezoute aardappelen? Heel bijzonder. Onze amigo heeft ons - Olandeses - verkeerd begrepen. Paella is helaas niet voorhanden, daaronder staat een gerecht voor twee personen dat hij heeft verstaan, ook beginnend met P - paparilla of zoiets. In ieder geval is het ook met veel vis, en dat is wat wij willen. Daar horen dus de pappas arrugadas bij.

“Vale senor, okay. Y een salada mixta de la casa, por favor”.

Wanneer hij het bestelde langs brengt, weten we niet wat we zien. Een zestal vruchtensoorten uit zee, gamba’s, mosselen, inktvis als een bolletje ei met pootjes, babysquid en nog twee types met graat. Daarnaast een royale slaschotel, bietjes, groene sla, wortelsliertjes, mais, ananas, olijven, ui en asperges. Plus - voor de hand liggend - een bord vol pappas arrugadas. Erna’s tante Anneke had als aardappelfan zo kunnen aanschuiven.

Eenvoudig, excellent eethuis

“Dit eetschuurtje is vol”, puft Erna, terwijl ik de laatste gamba openvouw. Vis en zeevruchten lusten Erna en ik als geen ander. Anders dan van de zetmeel met koolhydraten blijft van het volumineuze zeemaal weinig over. Slechts van de gefrituurde babysquid resteert nog een heel klein beetje, waarmee wij bewijzen van babyvoeding geen kaas te hebben gegeten. De sla is op, de aardappelen voor de helft. Van het karafje is onderwijl nog een broertje neergezet, op speciaal adoptieverzoek uiteraard.

De ober heet Tuto, die naam krabbelt hij - als wij erom vragen - op een papiertje. Hij heeft de grootste lol met ons. Hardwerkend, gelet op z’n blanke huid niet geraakt door enig zonnestraaltje, tovert hij la cuenta tevoorschijn. Voor 37,50 euro is bij alles ook nog een cafe cortado inbegrepen.

“Tuto?”, vraag ik voor de zekerheid.

“Si, si, todo, es verdad”, lacht hij. Ik blijf hem ongelovig aankijken.

“Hasta mañana”, voeg ik hem toe.

“Mañana cierrado”, riposteert hij.

Ik weet dat het restaurant op dinsdag is gesloten - zijn enige vrije dag van de week - en herhaal: “Hasta mañana”.

Tuto staart me niet begrijpend aan. Ik help hem uit zijn lijden. “Hasta mañana, a la playa!”.

Een langgerekt, luid “Aaahhh” laat de hele eetzaal op- en omkijken. Wij staan op en bewonderen het uitzicht op de tuin, waar papaja’s en citroenen voor het grijpen hangen. Waar de huis-, tuin- en keukentrap bedrijfsklaar onder de bomen staat, een stuk beton als steunzool onder de onderste trede. De drie meter hoge muur scheidt het restaurant als een fort van ons onderkomen. De muurstenen rusten uit als luie rotsblokken, door een brede lichtgrijze cementvoeg stevig aaneen gemetseld. In en uit spleten zwermen kleine en grote hagedissen rond. Gekko’s? Ze klauteren lichtvoetig omhoog, omlaag en opzij. Kleefstof aan hun pootjes, dat kan niet anders. Bovenop de muur houden ze vaak bewegingsloos stil, in de volle zon turend naar het blauw van de oceaan. ‘Mirador de El Emigrante’. Aan de zijkanten van de muur spelen de reptielen tikkertje, alsof de verdediging van hun vesting nog moet worden geregeld. Of is de achtervolgende partij de binnengedrongen vijand die tot de aanval is overgegaan?

Ik schuif onze stoelen onder de afgeruimde tafel en onderwerp de vitrine achter mijn rug aan een nadere beschouwing. Hij herbergt enkele vissersbootjes in miniformaat, waaronder de TE851. Zij omringen een certificaat, waarop Restaurant Ribamar als winnaar van de 21e Premios de Gastronomia wordt betiteld en geprijsd. Terecht, naar onze mening. RR, de ‘Rolls Royce’ onder de Spaanse volkskeukens. Een soort ‘Jardin de Señora Juanita’, oftewel Johanna’s Hof.

Internet-review:

‘Yes, their paella is really excellent, by any standards. We had a dinner in the restaurant - 30 kilometres drive from our hotel. It was worth it. We tried fresh fish, very, very good. The service is not Waldorf Astoria-style, but friendly and straightforward, nothing wrong with it. We will go there again, certainly.’

Wij - Erna en ik - hebben ons op een tweede Paasdag nooit zo volgegeten.

Omhoog, omlaag, omhoog

Van Garachico slingeren wij ons in de richting van Los Gigantes, vijfendertig kilometer bochten heen en weer omhoog, even zo vele keren heen en weer omlaag. Hoewel de Teidetop in de mist hangt - voorbij Santiago del Teide goed te zien - lacht de zon ons ook vandaag weer tegemoet en doemt La Gomera voor onze neus op zwemafstand op. Boven deze donkere pudding met lichte cakevlekken ligt een even dikke laag slagroom, de rest van het heelal is vrijwel blauw. Bij Garachico glansde de oceaan als een spiegeltje. De rij witte wolken in de verte reflecteerden in de diepste diepten van de zee. Net het effect van een lachspiegel, dacht ik nog.

Het landschap is als het uitzicht: fascinerend. Ook de begroeiing is heel divers, helaas ontberen wij de broodnodige botanische kennis. Aan een kameeltocht - onderweg ontdekken we een oase met een stuk of vijftien woestijnschepen, herkauwend, lui op hun knieĂ«n liggend - hebben we geen behoefte. Net zo min als aan een fietstocht. We komen wel wielrenners tegen. Erna grapt dat zij nog liever gaat lopen. Mij maakt het als klimgeit niet uit, op de fiets of per benenwagen, als het maar uitputtend heet is. Heb ik geen bult op m’n rug voor nodig, laat staan twee.

In de afdaling staan even voorbij een onverwacht mobiel 40 km-bord enkele fluorescerende markeerstiften. Knal- maar dan ook knalgeel. Een viertal wegwerkers leunt op schop en houweel. Het volgende bord - ‘Werk in uitvoering’ aangevend - nemen zij bepaald niet serieus.

“Werkoverleg”, zegt Erna, die in haar werk met Amsterdamse wegwerkers heeft te maken. Ik denk er het mijne van. Liplezend constateer ik dat het hier over het weer en de voetbaluitslagen gaat.

Niet overal zijn de scherpe kantjes van de weg afgeschermd; in ons laaglandje zou dat beslist niet zo kunnen. In de bochten vallen mij hier de honderden donkerbeige ‘geldkisten’ van beton op, een alternatieve vangrail vormend. Verder in de richting van Puerto de Santiago zijn ze in de volle zon verkleurd tot lichtbeige. Kon ik ze maar leeghalen, droom ik mijn schaapjes op het droge tellend, maar ik kan alleen maar een tak van de boomheide, of is het heideboom, langs de weg plukken.

Een ezel rust onder een boom uit, een vrouw in klederdracht loopt met een baal hooi op haar hoofd in balans. Die goeie ouwe tijd. We koersen verder op het Tenerife van uitersten, op weg naar het mondaine leven van Los Gigantes, voorproefje van Playa de las Americas en Cristianos.

De zeer rustige sfeer doet ons zowaar een boulevardwandelingetje volbrengen, laat Erna een ansichtkaartje uitkiezen en zet mij voor een eurootje een half uurtje achter het beeldscherm om een mailtje te versturen, met Erna nieuwsgierig meelezend boven mijn getranspireerde nek. Ver van huis laten we altijd van ons horen.

Na een ontspannen avondje en een goede nachtrust zullen we genoeg energie hebben om een flinke klus te klaren: het beklimmen van de Pico de Teide. Ook al wordt er regen verwacht.


(Zie voor het vervolg: 'Tijdje terug, Tenerife')

Ver van hier, in een ander land

Wees erbij, als de kippen, als haantje de voorste of gewoon als mens. Lees mijn dagelijkse teksten van ca. vijfhonderd woorden op www.petersamuel.reislogger.nl. Ze gaan meestal over reisbestemmingen of reisbelevenissen, soms over wandel- of fietstochten, ook wel eens over andere onderwerpen, zoals boekrecensies.

Ik heb ook de neiging om foto's op www.petersamuel.blogspot.com te plaatsen. Ik beschouw dat als 'album voor de vergetelheid'. Zoek de plaatjes uit, geniet ervan, bewonder ze, load ze down of doe ermee wat je wilt. Voor mij en mijn trouwe vriendin zijn het mooie herinneringen, waar we haast nooit meer naar terugkijken.

Leven is vooruitzien, soms vlakbij, voor ons vaker verder weg, bij voorkeur naar een ander, zelf uitgekozen land. Geen 'broertje-lief' of 'ouwe vriend' houdt ons daarin tegen, laat staan dat hij daarin meegaat. Ieder scheepje vaart z'n eigen koers. Het zijn de wijze woorden van zeezeiler Henk de Velde, de man die - anders dan deze wijsheid - in mijn vergeethoek is geraakt.

Op naar de volgende reis, wij staan er klaar voor. Lees erover, bekijk het in kleur!

Recensie: 'We komen nog Ă©Ă©n wonder tekort' van Rebekka de Wit

Oorspronkelijk, diepzinnig

Rebekka de Wit (1985) is rond 30 jaar. Ik ben bijna 70, reuze benieuwd naar het ene wonder dat zij tekort komt. Dat wil ik ontdekken in haar romanteko 'We komen nog Ă©Ă©n wonder tekort', die in augustus bij Uitgeverij Atlas Contact verschijnt. De korte inhoud maakt me nieuwsgierig naar het debuut van de auteur, die ook theatermaakster is.

‘Het is zomer. Een meisje zit met haar vader, haar broer en haar zus in de achtertuin. Ze hebben deze zomer drie mensen begraven, het gezin is plotseling verre van compleet. Ze besluiten op reis te gaan om zoveel mogelijk aan de rand van de wereld te zitten. Daar liggen ze naar de wolken te kijken, volgen ze de vlucht van een condor en luisteren ze naar Graceland. De hoeveelheid ijsjes die worden gegeten sinds het noodlot heeft toegeslagen, zijn niet meer te tellen. Het meisje probeert een antwoord te bedenken op 'wat nu'. We komen nog Ă©Ă©n wonder tekort is een geestig en droevig coming-of-age-verhaal van een meisje dat herinneringen het hoofd moet bieden en naar verbondenheid verlangt.’

Welke wonderen kom ik in het boek tegen? “We komen nog Ă©Ă©n wonder tekort”, zegt een stem uit de radio van Rebekka’s vader over de heiligverklaring van een paus. Rebekka de Wit maakt met haar vader, broer en zus een zoektocht, nadat zij enkele begrafenissen in familieverband hebben meegemaakt. Tragische belevenissen die in een tijdsbestek van twee weken ‘vakantie’ gepaard gaan met een ‘plotselinge tegenwoordigheid’ als neveneffect.

‘Onze ogen stonden zo open als de zee’, formuleert de schrijfster in het begin van haar roman. In mijn ogen een prachtige zin, zoals zij er meer in haar verhaal vastlegt. ‘We leefden nog’, ‘We wilden weg zijn, ons wegscheren als een hazewind’, ‘We hadden het Ware Leven leren kennen’. Het zijn enkele voorbeelden uit het boek, waarin ik wat ik noem ‘absurdistische’ metaforen tegenkom die ik zelf nooit zou kunnen verzinnen. Zijn die denkbeelden typerend voor de theatermaakster? Ik denk het wel. Met haar specifieke stijl van schrijven beïnvloedt Rebekka de Wit het denken van de lezer die ik ben – die misschien ook wel schrijver zou willen zijn –, die haar vaak geestige associaties en soms droevige ondertoon zelf niet zou kunnen verzinnen. Soms ook lijkt zij in haar ongebreidelde fantasie – theatermaakster – te hinkstapspringen, waarmee zij denkpatronen verruimt, in ieder geval de ruimte geeft.

In droevige omstandigheden, want enkele naasten overleden, toch geestig zijn. Rebekka de Wit kan dat, althans in haar boek. Daarmee heeft zij een vreemd, absurd verhaal geschreven, dat ik in Ă©Ă©n adem uitlas (grote letters, 175 pagina’s). In een reactie op haar theaterwerk las ik de woorden oorspronkelijk en diepzinnig. Oorspronkelijk vind ik de schrijfster zeker, het diepzinnige dringt nog niet goed bij me door, misschien een wonder dat Ă­k tekort kom. Maar wat ik weer heel mooi vind, zijn haar woorden ‘Het geluid van een dichtklappende autodeur geeft me altijd het gevoel dat het mogelijk is ergens weg te gaan. Hadden gebeurtenissen maar autodeuren’.

Recensie: 'De kamers' van Lucas de Waard

Prikkelend, spannend en verwarrend

‘De kamers’ van Lucas de Waard (1984) heeft met politiek niet van doen, al speelt ene Femke haar rol tussen de personages. De boektitel alleen verleidt niet tot onmiddellijke aanschaf. Achter deze ‘kamers’ echter steekt een ‘prikkelend verhaal over afwijzen en afgewezen worden, en de onmogelijkheid om zo’n breuk ooit te lijmen’. Zo luidt de aanprijzing op de achterflap, staand boven de synopsis en schrijversfoto. Op de voorzijde trekken de woorden ‘Fascinerend, spannend, verwarrend, schrijnend, soms schaterlachend cynisch’ boven de titel de aandacht. Ze prikkelen net zo sterk als de beknopte samenvatting op de achterzijde:

‘Televisiepresentator Aram is ontslagen nadat hij in zijn programma een kind per ongeluk ernstig heeft verwond. Hij zit al maanden thuis, is tot niets in staat. Zelfs het vertrek van zijn vriendin, een succesvol rechercheur, ondergaat hij gelaten. Dan stuit hij op een van haar dossiers over de verdwijning van een meisje. De naam van een verdachte schokt Aram. Het is de jeugdvriend die door hem ooit in de steek is gelaten.

Eenmaal gelezen vind ik het boek zeker fascinerend. Deze debutant, die op knappe wijze zijn verhaallijnen construeert, geeft blijk van talent Ă©n de nodige ervaring. Lucas de Waard heeft die ervaring opgedaan in het schrijven van proza, columns en teksten voor theater. Zijn constructie bouwt hij op in 285 bladzijden, die in betrekkelijk korte hoofdstukken aaneen zijn gesmeed. Om de paar bladzijden springt de auteur van de ene naar de andere scĂšne en van het ene personage naar het andere. Dat houdt de spanning erin, brengt ook wel verwarring teweeg. Je moet er als lezer inkomen, maar eenmaal gewend verloopt het leesproces soepel.

Ik heb de verzorgde uitgave van De Geus in een ‘weekend-adem’ van in totaal zo’n vier uurtjes gelezen. Een mooie prooi voor een vakantie derhalve. Dat De Waards verhaal schrijnende elementen bevat, wordt opgevangen door inderdaad cynische kanttekeningen, die tot waarlijk schaterlachen leiden.

De schrijver slaagt er op uitmuntende wijze in om korte, krachtige dialogen neer te zetten, onderdeel van het schrijversvak dat zijn talent laat zien. Indrukwekkend vind ik ook – dat geldt natuurlijk voor veel schrijvers – hoe zijn verhaaltekst is bedacht en geconstrueerd, al getuigt het wat mij betreft van het nodige surrealisme.

Surrealisme in de literatuur beweegt zich tussen droom en werkelijkheid. Surrealistische schrijvers proberen hun fantasie de vrije loop te laten door droombeelden te schilderen in onverwachte, verrassende of zelfs schokkende combinaties. Beelden waarin niets is wat het lijkt, beelden ook waarin drang tot choqueren of tot het onmogelijke leidraad is. Lucas de Waard doet met ‘De kamers’ zo’n poging om de logische rede, die al het onbekende tot het bekende wil herleiden, in deze psychologische roman het licht te laten zien.

Van het verhaal zelf word ik niet vrolijk, hoewel de schrijver veel plezier in zijn manier van schrijven legt. Zijn personages schildert hij helder en sterk. Hij schuwt het experiment niet, met allemaal korte scĂšnes, die je elk snel kunt lezen. Het vergt van de lezer wel een snelle omschakeling.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik van het genre niet zo’n enorme liefhebber ben. Toch heb ik ‘De kamers’ geboeid gelezen. Elke Echte Lezer moet immers echte kansen te baat nemen om zich buiten betreden paden te begeven. Probeer deze debutant in zijn huiveringwekkende verhaal dus eens, het levert je nieuwe inzichten op.

Recensie: 'De onderwaterzwemmer' van P. F. Thomése

Er is niets, maar 


Een kind kan niet zonder ouders. Niet zonder moeder, zeker ook niet zonder vader. Dat brengt P. F. ThomĂ©se in zijn nieuwe roman ‘De onderwaterzwemmer’ (Uitg. Atlas Contact) pijnlijk duidelijk aan de oppervlakte. Hij schetst een meeslepend, beklemmend relaas over onherstelbaar verlies en schuldgevoelens daarover. Tin, de hoofdpersoon, is erbij zonder aanwezig te zijn. Je kunt haast zeggen ‘Hij staat erbij en kijkt ernaar’, maar die vlag dekt de lading niet helemaal. De auteur componeert zijn verhaal van 253 bladzijden in drie delen, met een tussentijd van steeds dertig jaar. ‘Nachtrivier’ in 1944, ‘Iets rechtzetten’ in 1974 en ‘Boven water’ in 2004.

Om met het middelste, langste deel te beginnen, 165 pagina’s: ‘Iets rechtzetten’ speelt zich af in Charleville, Afrika. De titel roept mijn vraagtekens op – Wat wordt eigenlijk rechtgezet? -, maar wellicht is dat mijn onbegrip. Ik heb eerder het gevoel dat zelfs van het tegendeel sprake kan zijn. Niets wordt rechtgezet, alles blijft bij het oude, het pijnlijk beklemmende. Eerst bekruipt mij het gevoel dat het een langdurige geschiedenis wordt, voor ik te weten kom waar het naartoe leidt. Weinig echt enerverende spanning, tót de vrouw van Tin plots van het toneel verdwijnt. Het ‘zelfbeeld’ van Tin (afgeleid van Martin) blijft terugkeren, hier maar ook in eerste en derde deel. Een zelfbeeld van zelf aldoor maar de afwezige te zijn.

De opening, ‘Nachtrivier’, speelt zich in een veertigtal pagina’s af. Beklemmend. Tin van Heel, 14 jaar, raakt in het laatste oorlogsjaar bij een nachtelijke oversteek naar bevrijd gebied zijn vader kwijt. De jongen blijft een nacht en een dag en een avond in de uiterwaard waken, turen, zoeken, maar zijn vader komt niet meer boven water. Dit spannende, aangrijpende, beklemmende avontuur lees ik in Ă©Ă©n adem uit. Het is de basis voor Tins zelfbeeld.

Het laatste deel draagt als noemer ‘Boven water’, bestrijkt een dertigtal bladzijden en speelt in Havana, Cuba. Het begint met de zin ‘Dit is het einde, de oude witte man weet het’. De lezer die ik ben, weet het niet, vraagt zich zelfs even af wie met ‘de oude witte man’ wordt bedoeld – Tin zelf of adoptiezoon -, maar komt daar snel achter. Ik vind het toch wel een verrassend slot, geschreven door een voordien niet door mij gelezen schrijver, die kennelijk zijn belangrijkste thema’s herneemt. Sensitief, meeslepend is hij zeker, beklemmend blijft zijn verhaal voor mij.

Ik ontdek bij P. F. ThomĂ©se prachtige zinnen, metaforen en alliteraties. Zijn dramatische onderwerp laat je geen moment los. In een eigen stijl hanteert hij slechts weinig en dan nog korte dialogen. Opvallend is wel dat de lezer de Franse taal ‘un petit peu’ machtig moet zijn, evenals ‘a little bit’ Engels. Dat is voor mij geen probleem. Dat hij de roman aan zijn vader, Fredrik Antonie ThomĂ©se (1921-1979) opdraagt, zet mij tot dieper nadenken aan.

Voorbeelden van mooie zinnen, metaforen en alliteraties in ‘De onderwaterzwemmer’:


 de onderkant van de nacht wordt al blauw 
 de dag is aan de onderkant al zichtbaar 
 de kou bijt zich met vissentandjes in hem vast 
 het stille geweld van de opkomende zon 
 er is niets, maar iets anders is er niet 
 wadend in een waas van woede 
 desnoods bloot, bleek en bibberend 
 liever de leugen dan niets 
 zo struinen ze en struikelen ze ... het geslof en gesleep van hun voeten in het gras 
 lispelen van het vlietende, vliedende water 
 buiten schettert het zonlicht 
 buiten ontploft het zonlicht in hun gezicht 
 hij durft te verdwijnen in het zwarte gat van de slaap 
 hij is een vreemde in zijn eigen verhaal 
 wat ergens ondergaat, moet ook ergens bovenkomen 
 aanwezigheidsschaamte 
 opdoemen en wegdeemsteren 


Ik deemster weg en adviseer om het boek zelf volledig te gaan lezen. Daar komt geen schaamte bij te pas, maar compassie, geen waas van woede, wellicht wel waardering. Ik heb ThomĂ©se’s roman - ondanks het beklemmende thema – in ieder geval met bijzonder genoegen gelezen.

Peter Samuel, Limmen

ABC in een oogopslag

Onze eilanddromen blijven voortbestaan, zeker de Caribische. Was Cuba een grandioze opstap met een uitbundig zonnetje en exotische mensen en natuur, ver weg en toch dichtbij ligt daar ook nog een stukje tropisch Nederland. Ons oog is nu gevallen op een trip naar drie idyllische eilanden met Hollands tintje. Waar ook vriendelijke mensen met een donkere huidskleur ons welkom zullen heten – Bon Bini -, waar felgekleurde vogels rondvliegen en waar leguanen en hagedissen ons pad zullen kruisen.


Aruba, Bonaire en Curaçao – daarop zijn onze pijlen gericht - zijn onderdeel van een boog van eilanden die rond de Caribische zee liggen. Zo’n zeventig kilometer voor de kust van Venezuela, aan het eind van de zuidelijke boog, onder de naam Benedenwindse Eilanden. Hier bevindt zich een melting pot, een cocktail van culturen, een ware smeltkroes. Klinkt opwindend, nietwaar? En toch zijn het drie heel erg van elkaar verschillende eilanden, ieder wel met een zeer constant, tropisch klimaat. Veel zon dus, gemiddeld acht uur per dag.


Deze Benedenwindse eilanden liggen dicht bij elkaar, op flinke afstand van de Bovenwinden (Saba, St. Eustatius, St. Maarten). Sinds 10 oktober 2010 zijn het geen Nederlandse Antillen meer. Bonaire is Nederlands grondgebied, Curaçao heeft een status aparte, Aruba heeft die status al bijna dertig jaar (sinds 1986). Voor ons tellen het fantastische klimaat, witte zandstranden en azuurblauwe zee. Ook willen wij de vriendelijkheid van de goedlachse bevolking ontdekken en kennismaken met koloniale architectuur.


Zal dit abc’tje ons naar de ABC-eilanden, die elk hun eigen aantrekkingskracht hebben, leiden? Gaan wij weer met een nieuwe taal stoeien: het Papiaments? We moeten in ieder geval nog een reden vinden om te boeken. Erna’s zestigste verjaardag (!) kan een mooie aanleiding zijn. You never know.


Ami yama Peter, mi ta papia un poko Papiamentu. Kuantu esaki ta kosta, oftewel hoeveel kost dat zakie?

Honderdduizend maal welkom in Ierland

Op een regenachtige najaarsmiddag in ons lage landje mijmer ik onder zeeniveau over mooie plekjes op onze aardkloot. Grazend in door mezelf beschreven bestemmingen uit het niet eens zo grijze, wel analoge verleden kom ik op vergeeld papier mijn bescheiden Ierse ervaringen tegen. Ik keer terug in de tijd bij het beluisteren van de verschrikkelijk mooie cd ‘Long Journey Home’, de monumentale muzikale experience van Paddy Moloney uit november 1997. Geweldige nummers zweven mij terug naar mijn Irish experience.


Shenandoah (Van Morrison and The Chieftains), Main Theme-Emigration Theme-Famine Theme-American Theme (alle vier door het Iers Film Orkest), Paddy’s Lamentation/Ships are sailing (Mary Black), Skibbereen (SinĂ©ad O’Connor), White Potatoes (Liam Ó MaonlaĂ­), Muldoon, the Solid Man/Grandfather’s Tune (Mick Moloney) en tot besluit nummer 16, the anthem Long Journey Home (Elvis Costello en AnĂșna). Imposant, impressive.


Kippenvel, goose-flesh, kippenvel, goose-flesh, kippenvel, goose-flesh.


“Ober, een Jameson Whiskey alstublieft. En daarna een glas Guinness graag”.


Op zoek naar mooi weer brengt de helft van alle Nederlanders zijn vakantie in Frankrijk en Spanje door. Als je echt iets anders wilt, moet je eens voor Ierland kiezen. Schitterende groene oase, waar life zonder haastige spoed easy going is. In Ierland hoef je niet te jachten of te jagen om tevreden en gelukkig te zijn.


‘There is a land that I can go to


When I have time to rest


All the people I love are there


And those who love me best’


Dit lied, gezongen door de in Londen geboren Marianne Faithfull, geeft aardig aan welke gemengde gevoelens zich van niet-Ieren meester maken als zij aan dit eiland denken. Het ene deel groen en Keltisch, het andere verscheurd door problemen.


‘Then I heard the wind


Calling from over the sea


Saying Ireland, Ireland,


When will you be free


Ireland, Ireland,


When will you be free’


Ierland, Ireland, trekt als een groene magneet een groeiend aantal toeristen. Onbedorven landschappen, vriendelijke bevolking en overal spraakmakende, gezellige pubs. Aan de ene kant van de grens de brievenbussen groen, aan de andere kant rood.


‘There is another side of this pure land


A side of blood and guilt and pain


A side of enemy and friend


And sorrow at the hearth side stain’


Tegelijkertijd is de in bloed gedrenkte geschiedenis overal voelbaar en wordt er in Noord-Ierland elke dag een bladzij aan toegevoegd.


‘If you ‘re lucky enough to be Irish 
 you ‘re lucky enough’ (anonymous Irish poet)


Touch the spirit, feel the welcome


Wat in Ierland niet onopgemerkt blijft, is dat de elementen er vaak hevig tekeer kunnen gaan. Dat hele schouwspel is vanaf een en dezelfde plaats te volgen. Blauwe lucht, zon en schaduw. Twee minuten later pakken de wolken zich samen, dan schijnt de zon af en toe nog. Vervolgens wordt de lucht grijs: tijd voor de paraplu. Het grijs wordt steeds donkerder, bijna donkerblauw. Daarna prikt de zon weer door de wolken heen en verschijnt er een regenboog.


Niet zo heel lang geleden was Ierland nog een van de armste landen van de EU. Tegenwoordig heeft het een bloeiende economie, die ook wel de ‘Keltische tijger’ wordt genoemd. Maar Ierland is voornamelijk landelijk. Er is nauwelijks genoeg verkeer voor de wegen die er zijn. En word je al eens opgehouden, dan is dat vanwege overstekende koeien die gemolken moeten worden of schapen die op weg zijn naar een andere wei.


Ierland is bevolkt door niet-haastigen, heerlijk. Ieren zijn rustig, bescheiden en veelal attent. Niet altijd natuurlijk, sommigen zijn nonchalant en gemakzuchtig. In de kleine plaatsjes echter lijk je alom alleen vriendelijke mensen tegen te komen.


Een aantal jaren geleden kwam ik voor het eerst in Ierland. Ik bezocht twee van de 32 graafschappen (counties) en wel county Kerry en county Cork. Dat bezoek aan deze streek maakte een aangename, ouderwetse indruk, met een levenstempo beduidend lager dan in vele andere landen. Ieren staan altijd klaar voor een praatje, een lied of een pint. Zij stellen het op prijs als je een of twee zinnen in hun taal kunt spreken. Met een in het Iers (Gaelic) uitgesproken ‘dank u wel’ (‘gura maith agat’ = gurra maa a-gut) of ‘alstublieft’ (‘mas e do thoil e’ = mos ee du hul ee) oogst je al bewondering.


‘Honderdduizend maal welkom’ is ‘CĂ©ad MĂ­le FĂĄilte’ (spreek uit: keed mille fohltsja)


Cork en Kerry zijn al sinds de 19e eeuw bij veel bezoekers geliefd. Rotsachtige landtongen lopen tot ver in de Atlantische Oceaan. In de luwte van de baaien liggen kleurrijke vissersdorpjes verscholen. County Kerry heeft een uiterst spectaculair landschap, terwijl de betovering van county Cork menig toevallig bezoeker in een permanente bewoner heeft veranderd. Ook al luidt een oud Iers gezegde over county Cork: ‘Het land van God en de bevolking van de duivel’.


Wat ik van Ierland heb gezien, was really beautiful. Eindeloze panorama’s in een schoonheid, zo mooi als de combinatie van Zuid-Limburg en de Veluwe. Rustige wegen als een grijs lint door het landschap, donkerblauwzwarte meren onverwacht achter heuveltoppen, klotsende golven die je langs de kust hoort ruisen. Harmony, piece, silence.


Ierland kan ook ruig zijn. De Cliffs of Moher laten de oceaan op de rotsige kust neer denderen. Windforce ten, streaming rains, very impressive. Monumentale ontzagwekkende rotsformaties van Moher rijzen over een lengte van acht kilometer tweehonderd meter loodrecht uit zee omhoog. ‘Wie zich heel klein wil voelen, gaat in een roeibootje het water op wanneer grondzeeĂ«n vanuit de oceaan komen aanrollen en laat de bootsman langs de voet van die reusachtige rotsmuren roeien. De van de klif terugkaatsende golven zorgen voor onrustig water, waarop het bootje danst als een kurk. De donkere wand boven je, loodrecht, soms zelfs overhangend, lijkt naar de rusteloze hemel op te rijzen. Een geweldige ervaring’, 
 (Heb ik mij laten vertellen).


Mary Black bezingt de Ierse westkust bloedstollend mooi in ‘Song for Ireland’:


‘Dreaming in the night, I saw a land


Where no man had to fight


Walking in your dawn


I saw you crying in the morning light


Lying where the falcons fly


They twist and turn in your ever blue sky


Living on your western shore


Saw summer sunsets, asked for more


I stood by your Atlantic Sea


And sang a song for Ireland’



About Fungi, the dolphin


Ireland is lovely. Ik was in Dingle met zijn stille baaien. Rond de haven hurken pubs, visrestaurants, winkeltjes en oude huizen bijeen. Sinds 1983 vertoeft hier de grootste bezienswaardigheid: de dolfijn Fungi. Vele jaren steelt dit half tamme dier de harten van duizenden bezoekers. Uit zijn gedrag valt op te maken dat hij uit een dolfinarium is ontsnapt of vrijgelaten. De dolfijn zwemt rond in de baai van Dingle en is in het geheel niet bang voor mensen en boten. Met mensen zwemt hij mee, hij springt over boten, hij maakt de indruk dat hij graag in menselijk gezelschap vertoeft. Sommige mensen menen zelfs dat van een bezoek aan Fungi een therapeutische werking uit gaat. Fungi bewaakt zijn domein angstvallig en verjaagt iedere andere dolfijn die zich in ‘zijn’ gebied waagt. Met een zomers boottochtje vanuit de haven van Dingle is het een zekerheidje hem te zien. Zelfs als je ’s morgens vroeg aan de kade gaat staan, heb je grote kans hem te zien springen. Dolfijnen worden rond de dertig jaar oud, dus hoe het vandaag de dag met de Fungi-koorts is gesteld? 



About de Ring of Kerry


On top of beauty volgde ik de ‘Ring of Kerry’. De bijnaam van het stadje Cork is ‘Queens town’. Dit komt door het bezoek van koningin Victoria aan de haven, in het begin van de 20e eeuw, toen de huidige republiek Ierland nog Brits bezit was. De haven van Queens town, Cork dus, was de laatste opstap van passagiers naar New York. Het was ook de laatste aanlegplaats van de fameuze Titanic. Een gedenksteen op een van de muren draagt de namen van een twintigtal Ierse Titanic-passagiers. Het waren emigranten die in de onderste ruimen van het schip verbleven, vanwege hun goedkope ticket. Bij het kapseizen van de Titanic in volle zee hadden zij geen schijn van kans.


About Bantry


In het zuidelijke deel van county Cork kwam ik door vissers- en marktplaats Bantry, gelegen aan het einde van de diepe Bantry Bay. Op een plein aan de haven staat hier een standbeeld van Sint Brandaan. Bantry ligt op de kop van een van Ierlands mooiste baaien. De beschutte haven loopt tot aan het stadscentrum. De smalle straatjes en brede pleinen worden begrensd door winkels en huizen die de laatste eeuwen nauwelijks zijn veranderd. Het samenspel van zee, bergen en lucht bij Bantry Bay resulteert in wat ik een van de mooiste landschappen ter wereld wil noemen. Meer dan tweehonderd jaar geleden was deze baai het decor van een (mislukte) opstand in de langdurige en moeizaam verlopende Ierse strijd voor onafhankelijkheid.


‘Op 16 december 1796 voer een Franse vloot van 43 schepen van Brest naar Ierland. De oorlogsbodems met 15.000 manschappen aan boord staken in Bretagne van wal met het idee Ierland te bezetten. Onder hen bevond zich Theobald Wolfe Tone, advocaat uit Belfast en leider van de revolutionaire United Irishmen. Hij had zich ten doel gesteld Ierland te hervormen naar het model van de pas uitgeroepen Franse Republiek.


De storm in het Kanaal dreef de vloot echter uiteen, communicatie tussen de schepen was onmogelijk. De vloot werd spoedig uiteengeslagen, slechts zestien schepen bereikten Bantry Bay met de revolutionair Wolfe Tone. Op kerstavond was hij gereed om aan te vallen, maar hij besloot om op de Franse bevelhebber Hoche te wachten.


De volgende dag bleek een landing echter onmogelijk. De orkaan had de schepen de baai uit geblazen. Tone schreef in zijn dagboek: ‘We waren zo dicht bij de kust dat we een scheepsbeschuit aan wal konden gooien 
, maar we werden door de elementen verslagen’.


Voor de zoveelste keer was de Ierse overwinning zeer nabij geweest. Historici zijn het erover eens dat, indien de troepenmacht aan land had kunnen gaan, de kans groot was geweest dat de onvoorbereide Engelsen zouden zijn verslagen.’


(Informatie over de rampzalige, mislukte invasie van Wolf Tone verkreeg ik in het French Armada Centre, gevestigd in het koetshuis en de stallen van Bantry House).


Bantry House is een schitterend woonhuis te midden van een prachtig landschap, omgeven door elegante terrassen en tuinen. Ik heb het van binnen en van buiten bekeken, het is toegankelijk voor bezoekers en herbergt zelfs een Bed & Breakfast (tegen voor mij onoverkomelijke tarieven). Het House biedt een fraai uitzicht over de prachtige baai. Het wordt sinds 1739 bewoond door de familie White, de vroegere graven van Bantry. Het oorspronkelijke huis stamt uit 1720. In Bantry House bekeek ik de uitgebreide collectie kunstwerken en meubelen, die de tweede graaf van Bantry uit heel Europa bijeen bracht.


About Irish Saints


Ierland is het ‘Land van Heiligen’. Hiervoor noemde ik al Sint Brandaan, de Zeevaarder oftewel St. Brendan, the Navigator, die leefde van circa 486 tot 575. Deze beroemde Ierse heilige stichtte de kloosters van Clonfert in Galway en van Ardfert in Kerry. Ik fietste langs het laatste, dat helaas op dat moment niet voor publiek open was. Sint Brandaan is het bekendst geworden door zijn reizen. Zijn tocht is opgetekend in het 10e-eeuwse manuscript ‘De reis van Sinte Brandaan’, waarin wordt verhaald hoe hij met twaalf volgelingen op zoek gaat naar een aards paradijs in de Atlantische Oceaan. De tocht duurde zeven jaar en volgens sommige geleerden betekenen zijn verwijzingen naar ‘kristallen zuilen’ (ijsbergen?) en ‘troebele zeeĂ«n’ (Sargasso Zee?) dat hij als eerste de Atlantische Oceaan is overgestoken.


De vermoedelijke route van Sint Brandaan is onder gelijksoortige omstandigheden herhaald door de hedendaagse ontdekkingsreiziger Tim Severin, die in 1976 in een boot van hout en huiden de Atlantische Oceaan overstak. Ik zag deze boot in een uitstapje naar Craggaunowen in graafschap Clare. In de jaren zestig van de vorige eeuw restaureerde kunsthistoricus en archeoloog John Hunt het 16e-eeuwse Craggaunowen House. Op het kasteelterrein bouwde hij een openluchtmuseum en bezoekerscentrum, waardoor ik een goede indruk kreeg van het leven in de voorchristelijke tijd. Ik zag er onder meer een crannĂłg (eilandhuis) uit de Bronstijd, dat in een met riet begroeid meer staat. Verder een ring-fort, een houten weg uit de IJzertijd en als climax de Brendan, de met leer beklede boot waarin Tim Severin in 1976 en 1977 naar Amerika probeerde te zeilen in zijn poging om de reis van Sint Brandaan uit de 6e eeuw te herhalen.


In het ‘Land van Heiligen’, Ierland dus, is 17 maart de belangrijkste datum op de kalender. Het is de dag van het overlijden van een andere heilige. St. Patrick stierf in het jaar 461 in Saul, vlakbij Downpatrick in County Down. Het land werd wat je noemt door elkaar geschud. Sindsdien heet 17 maart St. Patrick’s Day.


About Irish legends


Ierland heeft een rijke traditie van verhalen vertellen. De Ierse folklore omvat dan ook een erfenis vol mythen en bijgeloof. Sommige verhalen zijn in de 8e eeuw op schrift gesteld, maar de meeste zijn al minstens tweeduizend jaar oud. De verhalen werden verteld door file (barden), die ze mondeling van generatie op generatie doorgaven.


‘Er waren eens drie seizoenarbeiders, die van hun woonplaats Limerick naar Kerry trokken. Onderweg kwamen zij een speelman tegen. “Ik ga met jullie mee”, zei die tegen hen.


“Best, hoor”, antwoordden ze.


Het was al winter, het begon te vriezen. De mannen hadden het koud. Ze zagen een dode man aan de rand van de weg liggen. Deze man had een paar splinternieuwe schoenen aan zijn voeten.


“Hemeltjelief”, zei de speelman, “nog nooit van mijn leven heb ik een nieuw paar schoenen bezeten. Geef mij een van jullie spaden, dan zal ik proberen zijn benen af te hakken”.


Dat was de enige mogelijkheid om de schoenen te bemachtigen, want door de vorst waren ze aan de voeten van het lijk vastgevroren. De speelman nam dus de spa en hakte de twee voeten boven de enkels af, stopte ze in de zak van zijn schoudertas en liep door.


Spoedig daarop kwamen de vier bij een huis, waar zij overnachtten. Zoals destijds gebruikelijk was, stonden de koeien ’s winters in de keuken.


“Blijf wel van de grijze koe af”, waarschuwde de dienstmaagd, “die zou jullie op kunnen vreten. Dat is een gevaarlijk dier!”.


Ze gingen allemaal slapen. De drie seizoenarbeiders en de speelman strekten zich bij het vuur uit. Toen de speelman dacht dat er niemand meer oplette, hield hij de voeten van de dode man boven het vuur om ze te ontdooien. Het gelukte hem om de schoenen eraf te krijgen. Hij trok ze zelf aan en gooide de afgehakte voeten naar de plaats, waar de grijze koe stond. De volgende morgen, tijdig vóór alle anderen opgestaan, verliet hij het huis.


Toen de dienstmaagd opstond, keek zij naar de deur. Die was gesloten. De drie seizoenarbeiders sliepen nog vast voor het vuur.


“Mijn God!”, gilde zij toen. “Gisteravond lagen er nog vier mannen. Nu zijn er nog maar drie over”.


De seizoenarbeiders werden wakker.


“Waar is jullie kameraad?”, vroeg de dienstmaagd.


“Geen idee”, reageerden de mannen. Slaapdronken keken zij om zich heen.


De maagd ging naar de grijze koe en vond daar de twee voeten.


“De hemel sta ons bij!”, riep zij, “het beest heeft hem opgegeten!”.


De dienstmaagd haalde de heer des huizes erbij en vertelde hem haar verschrikkelijke ontdekking. De boer bekeek de voeten, bekeek de grijze koe, schudde zijn hoofd en greep in zijn broekzak.


“Hier zijn vijf pond”, zei hij tegen de seizoenarbeiders. “Neem ze aan, vergeet wat jullie hier hebben gezien en gehoord. Eet jullie ontbijt en maak dat jullie wegkomen”.


Toen de seizoenarbeiders vijf pond rijker verder trokken en een stuk gelopen hadden, ontmoetten zij de speelman, die op de straat aan het dansen was. Hij was zo trots op zijn nieuwe schoenen dat hij zich ’s morgens zelfs al opzweepte om een dansje te maken.’


Zulke dingen schijnen te bestaan 



De Ierse mythologie is ook rijk aan feeĂ«n, leprechauns, banshees en andere bovennatuurlijke wezens. Naast geesten speelt vooral het ‘kleine volkje’ een grote rol. Een banshee is een vrouwelijke geest, die jammerend rond een huis zweeft als daar in de nabije toekomst iemand zal sterven. Eeuwen geleden geloofde men dat feeĂ«n onder heuvels – ‘feeĂ«nforten’ – woonden en dat het aanraken van zo’n nietig figuurtje ongeluk bracht. Het beroemdste lid van dat ‘kleine volkje’ is de leprechaun. Hij zit meestal onder een boom zijn sprookjesschoenen te maken. Het verhaal gaat dat als je een van deze kleine mannetjes met groene kleren ontmoet, hij je naar een pot met goud zal leiden. Als je echter je ogen van hem afwendt, verdwijnt hij als sneeuw voor de zon 



About Blarney Castle


Blarney is verplichte kost voor wie door dit deel van Ierland trekt. Van over de hele wereld komen bezoekers naar het vervallen Blarney Castle om een legendarische, beroemde steen te zien. Waarom de Blarney Stone zo veel mensen fascineert, is onduidelijk. Toch blijkt de legende over de eeuwenoude traditie van het zoenen van de steen velen aan te spreken. Wie dit doet, wordt op wonderbaarlijke wijze met Ierse welsprekendheid gezegend, luidt het verhaal. Ik sloot in een lange rij aan, klom omhoog tot aan de steen, maar nam aan het ritueel niet deel. Uit ongeloof en omdat ik zo’n wonder niet nodig heb.


De fameuze Blarney Stone is een rechthoekig stuk kalksteen, dat hoog in de tinnen van een 15e-eeuws met toren versterkt huis is gemetseld. Vroeger was dit de vesting van de familie MacCarthy, de voormalige koningen van Munster en heren van Blarney.


Blarney Castle is gebouwd in 1446. Mooie praatjes en loze beloften van Dermot MacCarthy oftewel Lord Blarney irriteerden Elisabeth I zeer en verrijkten de Engelse taal met een nieuw woord. ‘To blarney’ betekent zo veel als vleien, flemen, slijmen.


De steen is inmiddels afgesleten door ontelbare lippen, die erop afgedrukt zijn. Om hem te bereiken moet je de 120 treden hoge torentrap beklimmen, in de onvermijdelijke rij aansluiten, vervolgens op je rug gaan liggen en boven een gapende diepte achterover leunen. Die rugbrekende toer ziet er gevaarlijker uit dan hij is. Een vriendelijk gespierde hulp staat klaar om je enkels vast te houden. Het is een echte Ier. Ik constateerde dat hij bij vrouwen iets te handtastelijk opereerde. Dat werd hem vermoedelijk ingegeven door de soms opwapperende rokjes, die door andere nationaliteiten op de gevoelige plaat werden vastgelegd. Ook een klaarstaande fotograaf maakte – weinig flatteuse – plaatjes. De liggende dames koesterden slechts aandacht voor de Blarney Stone en kusten hem volmondig. Nadat ook zij ‘het’ hadden gedaan, ontvingen ze hun certificaat. Dat nu ging mij toch een beetje te ver. Zoals het hamburgercertificaat bij Cabo St. Vicente, het uiterste zuidwestelijke puntje van Portugal, mij ook lichtelijk overdreven aandeed.


Ik hoorde trouwens dat Blarney’s steen regelmatig wordt gekuist om te voorkomen dat bezoekers besmettelijke ziekten oplopen. Ook daar heb ik de schurft aan 



About Bunratty


Populair is ook een bezoek aan het Normandisch-Ierse kasteel met slottoren uit 1277 van Bunratty. Dat bolwerk met zijn stevige muren en drie ‘murder holes’ lijkt volstrekt ontoegankelijk, maar is in werkelijkheid zeer gastvrij. Als je er naar binnen gaat, tref je een kleurrijk beeld van het 15e-eeuwse kasteelleven dankzij de uitgebreide middeleeuwse meubelcollectie van Lord Gort. Twee maal per avond vinden middeleeuwse banketten plaats, een ware happening.


Rondom het kasteel is Bunratty Folk Park. Met cottages, regionale woningen en een dorpsstraatje komt het alledaagse leven van de 19e eeuw hier tot leven. Oude ambachten als brood bakken, kaarsen maken en manden vlechten worden er uitgeoefend.


About culture


Ierland was tot in de 16e eeuw een Gaelic (=Iers) sprekende natie, daarna won het Engels veel terrein. Tegenwoordig is de republiek officieel tweetalig. De Ierse cultuur zal niet zo gauw verdwijnen. De Ieren houden nog steeds van oude legenden, liederen en heldendichten. Feesten spelen een belangrijke rol in het gemeenschapsleven.


Ierland heeft een muzikale traditie van vele eeuwen. Gedichten en verhalen van de Keltische (Gaelic) barden aan het koningshof werden vaak begeleid door de harp, het nationale symbool van Ierland. De harp wordt al sinds de 10e eeuw in Ierland bespeeld. Naast de harp is de uillean het belangrijkste instrument in de Ierse muziek. Hij lijkt op de doedelzak, maar heeft een klaaglijker klank, die bijzonder goed bij de mijmerende Ierse melodieën past. In de traditionele Ierse muziek zijn de fluit en de tin whistle de meest gangbare instrumenten.


Waar je ook komt in Ierland, altijd is er wel een pub in de buurt waar mensen muziek maken. Ierse folksongs hebben vaak een patriottisch tintje, maar een aantal van de mooiste liedjes gaat niet over de strijd voor onafhankelijkheid, maar over ontberingen, emigratie en heimwee naar het vaderland.


In de 20e eeuw speelt de Ierse muziek een belangrijke rol in de opleving van nationalistische gevoelens. De beste gelegenheden om ervan te genieten zijn de céilídhs (spreek uit: keelies). Dit zijn Ierse avonden, waarop hele dorpen samenkomen om te dansen en muziek te maken. Of de seisuns (verbastering van het Engelse sessions), die overal in de Ierse pubs plaatsvinden.


Over cultuur gesproken, immigranten van Ierse origine hebben veel invloed op het gebied van kunst, sport, media en politiek in vele andere landen uitgeoefend. Om de waarheid geen geweld aan te doen: zij ontwikkelden hun talenten nadat zij hun geboorteland Ierland hadden verlaten. Ik noem enkele voorbeelden: filmster Shirley McLean, tennisser John McEnroe, oud-minister-president van Canada Brian Mulroney, Engels hofdichter Cecil Day Lewis, componist John Field, Witte Huis-architect James Hoban, veldmaarschalk Montgomery, en niet te vergeten de (voor)ouders van John F. Kennedy en Ronald Reagan.


Een ander aspect van de Ierse cultuur betreft de literatuur, waarin het kleine land groot is. Liefst vier Nobelprijswinnaars bracht het tot nu toe voort. William Butler Yeats, Samuel Beckett, Seamus Heaney, George Bernard Shaw.


About the Famine


Als je het over Ierland hebt, moet je het over ‘the Great Famine’, de mislukte aardappeloogst in de jaren 1845, 1846 en 1848 hebben. Hoe zou iemand tekst of muziek kunnen schrijven om de ‘Grote Honger’, die een miljoen Ieren de dood in- en anderhalf miljoen Ieren het land uitjoeg, weer te geven? De gruwel van deze hongersnood was zo groot, dat de meeste overlevenden ervoor kozen om daar niet over te spreken noch daarover te schrijven. Pas een generatie later – als de woede enigszins is weggevloeid – worden nergens mooier dan in Skibbereen woorden van welsprekendheid geformuleerd. SinĂ©ad O’Connor brengt met passie en overgave het prachtige Skibbereen-lied tot leven.


O Father Dear, I oft times heard you talk of Erin’s Isle,


her lofty scene and her valleys green, her mountains rude and wild


They say it is a pretty place where in a prince might dwell,


Oh why did you abandon it, the reason to me tell?



O son, I loved my native land with energy and pride


‘til a blight came over on my crops, my sheep and cattle died,


the rent and taxes were so high I could not them redeem


and that’s the cruel reason why I left old Skibbereen.



Oh, it’s well I do remember that bleak December day


the landlord and the sheriff came to drive us all away,


they set my roof on fire with their demon yellow spleen,


and that’s another reason why I left old Skibbereen.



Your mother too, God rest her soul, fell on the snowy ground


She fainted in her anguish, seeing the desolation round


She never rose but passed away from life to mortal dream


She found a quiet grave, my boy, in dear old Skibbereen.



And you were only two years old, and feeble was your frame


I could not leave you with your friends, you bore your father’s name,


I wrapped you in my cĂłta mĂłr in the dead of night unseen


I heaved a sigh and said goodbye to dear old Skibbereen.


De emigratiegolven hebben de Ierse bevolking zowat gehalveerd. Waren het er eens elf miljoen, nu zijn het nog ongeveer vijf miljoen inwoners in Ierland, die op een oppervlak zo groot als dat van de Benelux leven. Britse uitbuiting en tegenvallende oogsten deden een groot deel van de Ieren verhongeren. Zij emigreerden massaal. Op de kades van Cork, het begin van de weg naar de Nieuwe Wereld, naar New York, vloeiden vele tranen. In het museum van Queens’ town beleefde ik die overtocht in z’n ergste vorm. Stormen, zeeziekte, honger en gebrek 
 impressive drama.


Vandaag de dag gaat het de Ieren voor de wind. Toch herinneren zij zich hun verleden vol armoede en rampspoed. Mooi en droevig tegelijk, dat is Ierland. Maar het is blijft een ideale bestemming voor wie van rust en van schoonheid houdt, van de eenvoud van het leven. Yes, the simplicity of life!


I am a rambling Irishman,


in Ulster I was born


And many’s the happy hour I’ve spent,


on the banks of sweet Lough Erne.


But to live poor I could not endure,


as others of my station


To Amerikay i sailed away,


and left this Irish nation.


(George Bernard Shaw maakte eens deze weinig vleiende, wat onvriendelijke, maar een zekere kern van waarheid bezittende opmerking: “Zolang Ierland mannen voortbrengt die verstandig genoeg zijn om het land te verlaten, bestaat het niet tevergeefs”).


About Irish Whiskey


Whiskey heet in het Iers uisce beatha (spreek uit: isjke baha, letterlijk vertaald ‘levenswater’). Vermoedelijk hebben Ierse missionarissen de drank uitgevonden. Zij bezaten geheime kennis over distilleerkolven uit het Midden-Oosten, die werden gebruikt om reukwater te maken.


In de 13e eeuw was het de gewoonte dat soldaten zich voor de strijd moed indronken met whiskey. Naar verluidt was koningin Elisabeth I ook niet vies van een glaasje. Wellicht was zij ermee in aanraking gekomen door Sir Walter Raleigh, die van de graaf van Cork een vat met 145 liter whiskey had gekregen. Door niet alleen whiskey, maar ook tabak in Engeland te introduceren, was Raleigh verantwoordelijk voor de popularisering van twee verslavende middelen.


In het aangename stadje Midleton staat een indrukwekkend, gerestaureerd 18e-eeuws industriecomplex met natuurstenen fabrieken en pakhuizen, waarin een whiskey-destilleerderij en een museum zijn gevestigd. Het ‘Jameson Heritage Centre’ is door de verenigde Ierse destillateurs opgezet en steekt het succes van Bushmills in Noord-Ierland naar de kroon. Je kunt op Ă©Ă©n ticket zowel de moderne destilleerderij als de Old Midleton Distillery bezoeken, die van 1825 tot 1975 in gebruik is geweest. Naast het ontvangstgebouw staat de grootste destilleerketel van de wereld, met een capaciteit van 150.000 liter. De naam van het bezoekerscentrum is enigszins verwarrend. In de 19e eeuw werd in Midleton niet het merk Jameson gedestilleerd, maar Paddy. De destilleerderij van John Jameson staat in Dublin.


NB. Ik voelde mij naast het ontvangstgebouw, beter gezegd naast die enorme ketel, behoorlijk nietig. Op de boot had ik belastingvrij een fles Jameson van een liter gekocht. Een op 150.000 
 Op de vroegere naam nam ik een slok. ‘Sláinte, Paddy’, oftewel proost, op uw gezondheid. (Sláinte, spreek uit: slohn-tsja).


About Limerick


Limerick is in de wereld beter bekend als naamgever en veronderstelde geboorteplaats van de bekende dichtvorm dan vanwege zijn natuurschoon.Het rijmschema van dit aardse sonnet van de gewone man – aabba – schijnt uitsluitend voor sardonische en, vaker voorkomend, pikante gedichten te worden gebruikt.


De 19e-eeuwse Engelse schrijver Edward Lear gaf de limerick grotere bekendheid. Ook Huxley, Rossetti, Swinburne en Auden voelden zich tot het aanstekelijke ritme aangetrokken. Zelfs Joyce verwaardigde zich tot het schrijven van enkele limericks.


De meester van de limerick is echter de onuitputtelijke Anonymus, aan wie onder andere de volgende is toegeschreven:


There was a young fellow of Lyme,


who lived with three wives at a time.


When asked: “Why the third?”


He replied: “One’s absurd,


and bigamy, sir, is a crime”.


Herbergier Seán O’Tuomy, lid van een groep Ierstalige dichters, dichtte over de sores van zijn beroep:


I sell the best brandy and sherry


to make my good customers merry


but at times their finances


run short as it chances,


and then I feel very sad, very


Nou ja, tot besluit omdat ik er tĂłch was, de volgende:


Limerick was,


Dublin is,


and Cork shall be


the finest city


of the three!


Als liefhebber heb ik altijd wel om schonen gegeven. Nederlandse, Belgische, Duitse, Franse, Amerikaanse. Ook Ierse schonen mogen een plaatsje in mijn rijtje vinden, een goede reden om nog eens terug te gaan. Een stedentripje naar Dublin bijvoorbeeld, voor de pubs, voor de literatuur en 
 voor Molly Malone, die in het Engelse taalgebied in de vorm van een standbeeld de Ierse schone voor eeuwig verbeeldt. Zij staat aan het eind van Grafton Street, een van de chicste winkelstraten van Dublin, en duwt nog altijd haar mosselkarretje voort. Op de hoek van Suffolk Street vertegenwoordigt haar levensgrote bronzen beeld compleet met viskar de bekendste Ierse ballade. Volgens de legende verkocht Molly haar schaaldieren op de middeleeuwse vismarkt in de nabij gelegen Fishamble Street, maar 



In Dublin’s fair city


where the girls are so pretty


I first set my eyes on sweet


Molly Malone.



She wheeled a wheelbarrow


through streets broad and narrow,


crying ‘cockles and mussels,


alive, alive oh!’



She died of a fever


and no one could save her,


and that was the end


of Sweet Molly Malone



But her ghost wheels her barrow


through streets broad and narrow,


crying ‘cockles and mussels,


alive, alive oh’.


Een geestdriftig onderzoeker, die beweert in de 18e-eeuwse archieven haar overlijdensakte te hebben gevonden, suggereert dat haar fatale ziekte niets anders was dan een geslachtsziekte. Hieruit mag worden afgeleid dat Molly in de straten van Dublin meer verkocht dan alleen schaaldieren. Het is echter niet ondenkbaar dat zij is overleden aan tyfus, die zij opliep door zeebanket te eten, afkomstig uit de vervuilde baai van Dublin. Ik ben nog niet in Dublin geweest, dus ik heb geen idee wat ik van Molly moet denken. Ik ben niet als de Dubliners, die zeer creatief zijn in het geven van bijnamen. Als ik in die stad ben, ga ik haar beslist opzoeken. The tart with the cart (De del met de kar), The dish with the fish (Het lekkere stuk met de vis). Dan zal ik een munt in haar decolleté werpen, want dan mag ik een wens doen.


“Erna, maak jij even een foto van me. Alive, alive oh”.

Duvels, een Tasmaanse duivel

Het is al weer een tijdje geleden dat Dame Erna en ik \'down under\' gingen. Een flink deel van AustraliĂ« en niet te vergeten het Noorder- Ă©n Zuiderland - tezamen Nieuw Zeeland vormend - mochten ons een keertje of vier, vijf ontvangen. Wij sloten deze indrukwekkende landen c.q. dit imposante continent op het zuidelijk halfrond voorgoed in onze armen. Kijk dus niet gek op als wij ons er nog een keer tegenvoetend bevinden. Een reden zou kunnen zijn om onze goede vriendin Anne en haar (klein)kinderen nogmaals in Perth te ontmoeten. We zouden ook weer een ontmoeting met de Nederlandse kok Folko Kooper in Hobart willen arrangeren. Zien of hij nog steeds zijn \'verandering\' naar het vak van beeldhouwer op kunstzinnige wijze ten uitvoering brengt.


Als ik Hobart noem, zie ik de hoofdstad van TasmaniĂ« weer voor me. Vanuit Melbourne duik je naar het zuiden en zit je in een wip op een eiland, waar het heerlijk en vooral relaxed toeven is. Met name voor 50-/55-/65-plussers, maar eigenlijk bedoel ik mensen die van rust en natuur houden, is het een fantastische bestemming. Laat de zaterdagse drukte van de Salamanca-market in Hobart achter je (die overigens best wel gemoedelijk gezellig is, hoor) en trek TasmaniĂ« op je gemak in de rondte. Die grandioze reiservaring vergeet je van je lang zal ze leven niet meer!


Op verzoek van en in overleg met de webmaster van \'Islandpassions\' heb ik met terugwerkende energie gepoogd enige herinneringen aan onze trip op mijn keyboard naar boven te halen. De beelden op mijn netvlies stammen nog uit het niet-digitale tijdperk, zeg maar dat zij van een decennium geleden zijn. Ook onze foto\'s zitten vastgeroest in een plakalbum in een verhuisdoos ergens op zolder.


Tijden veranderen, mensen worden een dagje, een jaartje en nog een jaartje ouder, geheugens slijten, die van de korte of die van de lange termijn, maar mooie impressies blijven als iris-copie in mijn bloghoofd voortbestaan.


Wie nog even tijd over en geen genoeg van mijn blogmanie heeft, mag zich wenden tot www.islandpassions.nl/eilanden/, waarmee je een idee krijgt van dit \'eiland beneden onder\',  zonder het risico te lopen een duvelse duivel tegen te komen.


Met dank aan de Nederlander Abel T. die dit land ontdekte en aan Nederlands beste webmaster Cor K. die mijn verhaal op zijn portal/site plaatste.


Het was en is mij een genoeglijke ervaring.