petersamuel.reismee.nl

Tijdje terug, Tenerife

Teleferico del Teide

Wanneer we de deur uitstappen om de Pico de Teide te bestijgen, regent het inderdaad. Wij gokken nooit, winnen nooit iets en toch wagen we het erop. De zon is onbetaalbaar. Aan de zuidzijde van het eiland schijnt hij altijd, we kunnen dus royaal op hem inzetten. Ook is de kans groot dat La Gomera opnieuw haar dagelijks ververste slagroomhoed draagt. Haar hoofddeksel tekent een fantastisch fraai vergezicht, omhoog krullende wolken hebben aan hun onderkant een kaarsrecht afgeplatte bodem. Deze horizontale lijn zet zich naast het eiland aan beide zijden boven zee voort, zodat het lijkt of een plak koek tussen wateroppervlak en slagroom is weggesneden.

We volgen de borden El Teide, de vulkaan die zeventig kilometer van onze finca ligt. We kronkelen weer omhoog en omlaag, vooral omhoog. ‘Pinar del Chio' lees ik, ontmoeting met honderdduizenden pijnbomen in een maanlandschap. Hoe die in deze bodem wortelen, is een raadsel, maar ze doen het, met z’n allen. Op achttienhonderd meter hoogte wordt dat minder. Hun aantal en individuele lengte nemen af. Ondertussen wordt het mij wel duidelijk waarom we zoveel houten balkonnetjes en houten voordeuren in Tenerife’s dorpjes en stadjes ontwaren.

Het maanlandschap is indrukwekkend. We stellen ons Neil Armstrong voor, wagen echter geen stap in de donkerbruine tot zwarte, grillige buitenaardse ruimte. Het lijkt als thuis, hoewel schijn bedriegt: alsof de bodem net vers is bemest. We ruiken echter niks en we horen nog minder. Het is - gelukkig - al weer enige tijd geleden dat de Teide zijn mestkar heeft uitgereden. Je moet er niet aan denken dat het juist vandaag weer zou plaatsvinden.

Op de lange stukken langzaam stijgend, kaarsrecht asfalt voelen wij de intense impressies van Monument Valley en andere nationale parken in het westen van de Verenigde Staten weer tot in onze botten. Monumentale rotsformaties sieren Tenerife, met een reuzenvulkaan op de achtergrond. Nou ja, achtergrond, met evenveel recht kun je zeggen voorgrond. Hij staat er gewoon. Langs zijn helling loopt een draadje, waaraan een tweetal knoopjes hangen. Stijgt het ene knoopje uit een doosje omhoog, daalt het andere uit het bovenste doosje even voortvarend af. Je moet dat ‘perpetuum mobile’ maar uitvinden, een hele kunst om er een economisch verantwoord confectiewerkje van te maken.

Pico de Teide - in Parque Nacional de las Canadas del Teide - is 3.718 meter hoog. De hoogste berg van Spanje, tot werelderfgoed verklaard. Wanneer El Qaida een aanslag met een airbus zou plegen, zou deze wolkenkrabber van een berggigant het niet eens bemerken. Alsof een vlieg wat kriebelt op z’n schouder. Voor Bin Laden c.s. hoef je hier, ondanks grotten en spelonken die op de loer liggen, geen vrees te hebben.

We ontdekken dat een entreebewijs voor de ‘Teleferico del Teide’ 22 euro per persoon kost. Dat kunnen we vervolg geven met een voettocht van het bergstation naar de kratertop. Maar daarvoor blijkt een persoonlijk visum voor Nationaal Park Teide vereist, verkrijgbaar in Santa Cruz de Tenerife. Dat gaat ons iets te ver.

Op tweeduizend meter hoogte, bij Los Azulejos, kruipen witte wolken langzaam over de rafelranden naar ons toe. En beduidend sneller terug. Het is formidabel fris. Erna geniet van grandioze kleurschakeringen, die toch slechts uit een beperkt regenboogspectrum bestaan. Tussen vele kleurnuances van zandgeel en zandgrijs tot lavabruin en lavazwart wandelen fantastische tinten groen. Pal voor ons staart een uit steen geslepen ‘Guanche' over de vlakte naar het verre wilde westen. Althans, met enige fantasie.

Het bezoekerscentrum van het nationale park lijkt Duits eigendom. Er wandern sozusagen wat Osterburen herum, sie entwickelen zelfs hun eigen Wanderpaden in gedrukte vorm. Wij hebben trek in koffie met cake. Tarieven volgens monopoliepositie, prijzig dus.

De bijna sneeuwloze Teidetop roept. Nemen wij de Teleferico del Teide, ook zo’n monopolist? Ach, je komt hier misschien eens in je leven. Een goede vriendin, veelvuldig Tenerife-bezoekster, heeft het dringend aanbevolen. Dus sluiten wij aan in een lange sliert voor de kassa. 

“Si, si, dos personas, por favor”.

Ik ontvang twee tickets, los numeros 194.657 en 194.658. Plus zes euro retour. Het onvervalste briefje van vijftig is door een beveiligde sleuf opgeslokt. Business is business, ook in ijle lucht.

In de mensenrij voor het loket herken ik lang vervlogen tijden. Wintersportgenot, wachten op een gondel, de hoogte in naar een duivelse berg, de Diavolezza. Ondanks de grote belangstelling hier voor de vulkaantop waren we onze auto vrij snel kwijt. Zelfs op een plekje vooraan. Kwestie van Amsterdamse bluf, hardop beweren dat voor ons altijd een parkeerplaatsje vrij is of komt. De gondel daarentegen laat een klein uurtje op zich wachten. Een op het oog opgeschoten modern Spanjaardje van een meter zestig hoog in de rij voor ons, twee piercepijltjes door zijn oorlellen, kwekt wat af met drie dito Spaanse juffertjes van dezelfde lengte, geen oorpijltjes, navels niet te zien, maar wel her en der de nodige tattoo’s.

Opeens worstelt het joch zich terug, dwars door de achter ons wachtende meute heen. Hij keert even later weer in z’n harem terug. In de buurt van het loket of mogelijk bij het restaurant heeft hij een reuzenzak chips weten te bemachtigen. Pappas arrugadas, maar dan in dunne schijfjes, in plastic verpakt. Een van de chicas houdt de zak open, de anderen doen een voor een een graai. Dat ziende grijp ik mijn kans en sla toe. Ik pak ook een minuscuul chipschijfje, waarvoor ik mij niet hoef te schamen. Voer voor die meiden natuurlijk. … ‘Een blonde Noor? Hoewel, hij is aan de kleine kant. Maar in vergelijking met ons’ … Giechelen achter kleine, lege handjes voor gevulde mondjes.

Plotseling klinkt een vraag in mijn richting. “Quire mas?”.

“No, no, vale, gracias”, bloos ik als schijnheilige, jongere oudere. 

Een Spaanse chat, mijn Hollandse tongval inbegrepen, volgt. Het clubje komt uit Valencia - ik doe m’n best, herhaal ‘Balencia' - en verbaast me volstrekt. Grote stad, Erna en ik zijn er geweest, vol sinaasappels, cultuur en ander fraais. Maar tot onze verbazing spreekt het alleen maar Spaans. Geen woordje Engels.

Spanjaarden zijn nieuwsgierig. De dames willen weten waar wij vandaan komen. Eentje vraagt hoe ik aan zo’n bruine kop kom. “Is het niet koud om in een simpel T-shirt helemaal naar boven te gaan?”. Zij heeft een punt, ik doe graag stoer. 

“Frio? Ik kom net van IJsland. Daar heb ik in een tangaslip bij een geiser een uurtje in de sneeuw gelegen!”.

Interessant. Het vrouwelijk trio doet zijn provisorisch om de nek gevouwen badlaken en zo nog wat doeken even af om samen met Erna en mij in het digitale cameraatje te worden opgeslagen. Het veelbesproken kiekje zal tot onder de oranjeboomgaarden in de Spaanse sinaasappelstad worden besproken en begniffeld. Zoveel is seguro.

Met in totaal 38 nieuwsgierigen - wij zijn nummers 35 en 36 in de rij - en een verveeld uit z’n ogen kijkende uitsmijter - nummer 39 -, zijnde de bewaker van de luchtbus aan een stukje staaldraad, zeilen we van 2.356 naar 3.555 meter hoogte. Inderdaad, op een lullig metertje na twaalfhonderd meter hoogteverschil. We gaan minder snel dan indertijd met de lift in het Empire State Building en die in de Twin Towers, maar toch nog altijd een honderdvijftig meter per minuut over een lengte van om precies te zijn 2.482 meter. Met zes marathons op mijn naam weet ik exact hoeveel een meter lengte op onze aardkorst eruitziet. Hier gaat het om een stijging van - uit het hoofd berekend - 47 procent en 11 promille, gelijk aan een bodylotion van acht minuten spraytime. Dat noem ik nog eens een hoogtestage.

De gondelkabel steunt trouwens op drie palen, zeg drie elektriciteitseiffels, op zijn weg naar de top. En jawel, herkenbaar van de skitochten in Zwitserland, over iedere top van elke paal zakt de gondel meer dan verwacht naar beneden. Alsof hij los komt te hangen en vervolgens stevig gaat slingeren. ‘In een rijtuigie, in een …’. Je weet dan dat een koor van 38 bassen, tenoren en alten dezelfde toon inzet. De toon van angstige spanning: oei-oei-oei. Dat gebeurt hier dus ook, een paar keer achtereen, voltreffer van een origineel refrein.

Eenmaal de gondel uitgestapt is het inderdaad behoorlijk fris, vooral door de stevige noordenwind. Erna stoeit met de ijle lucht en houdt zich koest. Heel verstandig. Op ons gemak rondlopend genieten wij van het fantastische panorama, hoewel een wattendeken veel van het uitzicht op de gehele archipel aan ons oog onttrekt. De bizarre wereld die Moeder Aarde hier in de persoon van de Teide heeft neergespreid, moet er een van wanhoop zijn geweest. Ik heb ook wel eens last van mijn darmen, maar zoals het hier gestold ligt, is mij nooit gelukt. Het slaat alles. Met ertussen lappen fluweel van zachtgeel, beige en lichtbruin, ook de mooiste tinten groen.

Het aanleggen van de wandelpaden van steen moet engelengeduld hebben gevergd, ook al liggen de blokken voor het oprapen. Het is dat er op het vliegveld strenge controles zijn, anders stapelde ik thuis een muurtje van glimmend obsidiaan om onze tuin.

Op ons pad omhoog komen we een imker tegen, de stevig is ingepakt tegen de zon. Hij bewaakt het gebied, waar je niet zomaar vrijuit naar de top mag wandelen. Je moet er een geldige ‘autorizacion’ voor aanschaffen in Santa Cruz. Dat hebben wij niet gedaan. Tot mijn spijt, want ik constateer nu dat ik mijn evenwichtskunsten op het randje van de krater boven mij graag zou hebben vertoond.

Erna loopt een stukje achter mij en schiet foto’s. Onmiddellijk ziet een Spaanse familie haar voor professional aan en vraagt haar hen op de kiek vast te leggen.

“En? Heb je alleen hun voeten in beeld genomen?”, vraag ik volgens mijn oerslechte gewoonte tot malicieus denken en handelen.

Erna is niet zo. Zij is veel te lief voor zulke ‘practical jokes’. Bovendien, het resultaat valt meteen waar te nemen. Digitale camera, nietwaar.

Op de wandelterugweg hebben we de stevige koude wind gelukkig in de rug. Slechts een heel klein beetje sneeuw valt te ontdekken. Ik kan mij niet voorstellen dat ze hier in de winter op plastic zakken naar beneden glijden. Dan haal je toch aan die scherpe lavarotspunten die plastic zak zo open?

De kaartcontrole van de bezoekers blijkt goed geregeld. Je moet enkele keren door een tourniquet op vertoon van je ticket, iedereen persoonlijk, waardoor exact kan worden gecontroleerd of het aantal passagiers dat in de gondel naar beneden komt even groot is als het aantal dat is opgestegen. De toegang is van negen tot vijf, een kantoorgondel als het ware. Formeel word je geacht ten langste een uurtje boven te blijven, om het terugvervoer zo gespreid mogelijk te laten verlopen.

Ik ben er niet achter gekomen of er wel eens iemand clandestien op de top is achtergebleven, en zo ja, wat de bewakers bij ontdekking van een tekort bij terugkomst aan het einde van de middag daaraan doen. Ik vraag me ook af wat een mens in de nacht te  zoeken heeft in zo’n krater. Ik bedoel, er liggen geen goud-, zilver- of wat voor aders ook, een hotel of B&B is er niet, en een bar ontbreekt eveneens. Een nachtje overblijven zou natuurlijk wel bar zijn.

Op de terugweg hebben wij weer een soort van geluk met de gondel. Precies achter ons, de nummers 37 en 38, sluit de stuurman het perron. De na ons gekomen terugreizenden moeten acht minuten vakantietijd tegen wachttijd inruilen. Wij niet … 

De terugrit naar Garachico via La Orotava, Historical Town Centre, bestaat opnieuw uit ongekend mooie indrukken van een maandlandschap, dat Nationaal Park del Teide heet. Fabelachtig en heel bijzonder. 

Hoe dichter we La Orotava naderen, hoe dichter de mist van het wolkendek dat ons het uitzicht belemmert. Ook het zicht is mager en beperkt zich soms tot maximaal een meter of tien, lastig voor de chauffeur in het bochtige parcours. Toch arriveren we zonder incidenten in La Orotava, waar we tamelijk snel een parkeerplaatsje weten te vinden a raison van 1,25 euro voor twee uurtjes.

De plaats La Orotava ligt op een steile helling aan de oostrand van de Valle de Orotava, vierhonderd meter boven de zeespiegel. Met 38.000 inwoners heeft La Orotava zich de laatste jaren ontwikkeld tot een stad met twee gezichten. In het westen ligt het rijke en goed onderhouden historische oude stadsdeel, waar bezoekers uit de hele wereld komen en waar ondanks de drukte een rustige, ingetogen sfeer heerst. Aan de oostkant ligt het bruisende, levendige nieuwe stadsdeel met winkels, woonblokken, industriegebieden en opgeknapte plekjes.

De oude stadskern maakt niet zozeer indruk door de schoonheid van de afzonderlijke bouwwerken, maar vooral doordat de historische bebouwing in zijn geheel zo fraai bewaard is gebleven. Eenvoudige huizen uit vervlogen tijden zijn te vinden in de molenwijk Farrabo, die boven het oude centrum ligt. Hier staan nog gofio-molens, waarvan een enkele zelfs nog in bedrijf is.

(NB. Gofio is een mengsel van geroosterde en daarna gemalen granen, al bekend bij de oorspronkelijke bewoners, de Guanchen).

Wij begeven ons in La Orotava eerst naar een bar, voor een broodje en een drankje. De oude kroegbaas bestuurt zijn taveerne als een vorst vanachter een toog die meer dan de halve lengte van zijn gehele zaak beslaat. Die zaak is minstens dertig meter diep.

“Bon dia, senor. Hay bocadillo’s?”.

“Si, si. Jambon y queso”.

Tussen allerlei soorten kopjes koffie door - van con leche tot en met cortado - manoeuvreert hij de opgewarmde bocadillo’s voor onze neus. Dat smaakt bij de eerste hap en gaat erin als koek. De waard zet een oranjegekleurde fles met schroefdop naast ons bordje. In de tekst op de fles lees ik iets van naranjas, uit de zijkant steekt een wit driehoekje papier. Een vastgekleefd servet?

“Wil jij tomatenketchup van sinaasappel op je broodje?”, vraag ik Erna. Zelf heb ik er geen behoefte aan, eigenlijk nooit.

“Ikke niet!”.

Beiden zijn we geen echte liefhebbers van het gemeenschappelijk in gebruik geraakte vettige USA-sapje. Wanneer we ons smakelijke broodje naar binnen hebben gewerkt, vraag ik de kroegbaas om een servetje, wijzend op de grote stapel achter hem op de aanrecht tegen de wand. Hij begrijpt mij in het geheel niet, wijst steeds andere objecten aan of ik die soms bedoel. Dan reikt hij me een exemplaar van de stapel.

“Gracias”, mompel ik mijn laatste hapje deeg weg.

“Of mevrouw ook een servetje wil?”.

“Por favor”.

Hij geeft Erna er ook een, pakt de sinaasappelfles en deelt ons non-verbaal mee: ‘Zijn deze soms niet goed?’.

Het blijkt dat de tomatenketchup zich heeft vermomd als voorraadfles gevuld met pakken kleine vierkante servetjes. Weten wij veel. Als ik de baas uitleg dat wij niet van sinaasappeltomatenketchup houden, moet hij heerlijk luid om het voorval lachen. De hele zaak, met tien personen gevuld, is op de hoogte.

Rondwandelen door La Orotava is een waar genoegen vanwege de mooie panden, fraaie tuinen en parken. Het Casa de los Balcones voorop, al is de toeristische commercie met souvenirs van kitscherige aard hier stevig geïnfiltreerd.

La Casa de los Balcones in het centrum van Villa de la Orotava, stammend uit het jaar 1632, is een prachtig huis, beroemd om zijn versierde balkons, zijn majestueuze gevel en door zijn karakteristieke patio met veel bewerkt hout. Allerlei kunstnijverheid van de Canarische eilanden is hier te koop, zoals calado-borduurwerk en gevlochten manden.

Opnieuw ontmoeten we bij de plaatselijke VVV een Nederlandse van origine, die hoewel zij al heel lang op Tenerife woont en nooit meer terug wil, haar Hollandse moerstaal uitstekend heeft bijgehouden. Een gezellig praatje volgt, maar de zware dag - in afstand zo’n 150 kilometer - willen we uiteindelijk met een maaltijd buiten de deur besluiten. Door mist afgewisseld met een vleugje regendrop keren we terug in het ons vertrouwde Garachico. Ter plaatse kiezen we voor Spaans eten, maar toch anders, namelijk bij Casa Ramon in Calle Estaba de Ponte. Op het stoepbord voor de deur staat comidas tipicas gekrijt. Het is rond 19.00 uur, tegen de deursponning leunt een oud vrouwtje.

“Is de keuken open, senora, la cocina es abierto?”.

Zij lacht haar halve gebit vriendelijk bloot: “Si, si”.

Geen ander mens te zien als we de ‘huiskamer’ binnenstappen van het oudje dat señora Lola blijkt te heten, familienaam Dolores.

“Vertel, senora Lola, wat zijn de comidas tipicas?”.

“Canarische soep met kikkererwten, cherne (zeebaars) en pappas arrugadas”.

Dat nemen we - we voelen aan dat er geen andere keuze is. Lola hobbelt naar haar keukentje achter een afscheiding. We zitten aan een tafeltje voor de houten inklapraampjes, met uitzicht op het smalle straatje. Vier andere tafeltjes zijn en blijven onbezet. Lola maakt leven in haar keuken. Zonder een kaart te tonen heeft zij ons haar menu voorgeschoteld. Nu is ze druk bezig. Ons staat vast een verrassing te wachten.

Señora Lola schuift langs met de zogenaamde droge witte wijn, die in een al of niet afgewassen frisdrankflesje zonder etiket van waarschijnlijk een half litertje op tafel komt, bijgestaan door twee glaasjes uit grootmoeders tijd. Wellicht is señora Lola oma, gelet op haar gebogen houding en weinige tanden, ze is toch maar mooi actief met zoon Ramon die zich de hele avond niet vertoont. Het is in zijn etablissementje in dit straatje hartstikke stil. Casa Ramon heeft belendend nog een dependance van een rommelkamer - een enkele deur als verbinding -, waarin vier tafeltjes, een bar, een kauwgumballen- en een fruitautomaat staan. Ook hier geen Ramon te ontdekken.

Vanaf onze plaats ontwaar ik een diepvrieskist met een gettoblaster op het deksel. Gelukkig staat het kreng niet aan, je weet maar nooit of señora Lola een beetje hardhorend is. Alle wanden hier staan dik in de donkerbruine lak, de lambrisering is van halve stammetjes gemaakt - pijnboom? -, aan een kant zelfs tot bijna plafondhoogte, waar bovenop de stammetjes de nodige grote dennenappels liggen uit te drogen.

Gelukkig drogen wij niet uit. Na wat slokjes van de wijn bekruipt mij het flauwe vermoeden dat de wc naast de diepvrieskist is, daar waar een deur open staat.

(wordt vervolgd)

Reacties

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter op deze verhaal!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!