petersamuel.reismee.nl

Tijdje Tenerife, terug

Ik stap een donker hok binnen. Onmiddellijk flitst Lola het lampje aan via een knopje aan de buitenzijde. Precies op tijd, want ik stap bijna in het Franse wc-gat. Nu weet ik mijn voeten op de porseleinen exemplaren te posteren. Twee emmertjes water staan naast me in de wacht. Lekker blijven staan, denk ik. Ik hoef alleen zelf te wateren, wissen van remsporen is gelukkig niet nodig.

Erna moet, net als Lola, het klatergoud hebben gehoord, want ik heb de deur op een kier laten staan. Handen wassen kan buitengaats, bij een los geplaatst lavet van wit aardewerk, ook in de ‘huiskamer’. Mijn handen weiger ik af te drogen aan de ernaast hangende blauwe handdoek. In de hoek zie ik Lola in haar piepkleine keukentje druk in de weer. Twee blauwe gasflessen beletten haar haast om haar werk te verrichten. Zij weet echter niet anders en gaat onverstoorbaar haar gang. Primitiever omstandigheden zijn bijna niet mogelijk.

Ik keer naar onze tafel terug. Naast elkaar zittend naar buiten kijkend onderwerp ik ook de vergeelde, verschoten zwartwit foto van het haventje van Garachico, dat aan de muur hangt, aan een nadere beschouwing. Dat zijn nog eens vervlogen tijden. Mijn ogen reizen langs de muur naar het plafond, waar ik de elektriciteitsmeterstand aflees. Toch nog iets te lezen, zonder menu- of wijnkaart, laat staan prijsaanduiding.

Voor Lola onze soep naar tafel brengt, heeft zij eerst haar totale bestekvoorraad in een emmer op de andere klep van de diepvrieskist geplaatst en een geschikt couvert geselecteerd. In een gekreukeld servetje gerold legt zij de pakketjes plompverloren bij ons bord in de buurt, bijna struikelend en een schoen verliezend.

“Ay, ay, ay, la zapatillo de la Reina”, grap ik de Spaanse tekst die ik mij van het paneeltje bij de rotsformatie van de Teide onderweg herinner. Lola lacht een tand bloot.

Onder het slurpen van de soep, waaraan voor ieder van ons een stukje onbestemd vlees is toegevoegd, passeren enkele auto’s aan onze vensterbank voorbij. Aan de overkant, op een meter of drie, kijken we tegen een hoge grijze deur met bordes aan. Drie treden witte steen om daar naar binnen te gaan. Op de treden gaan opeens drie Spaanse jongetjes zitten. De twee op de flanken dragen boven een rood shirt een pikzwarte, kortgeknipte haardos. Tussen hen zit een bedeesd manneke ingeplet. De rode shirts showen een grote letter B op de borst. Een van de twee chico’s heeft een maf oranjegeel brilletje om zijn computerspelletje goed te kunnen volgen, waar het middelste jong geen snars van begrijpt, ten minste aan zijn gelaatsexpressie af te lezen.  Het andere rode shirt, senor wizkid himself, kent de computeroplossingen als de beste.

Ondertussen tokkelen hun ouders in onvervalst Spaans over de opvoeding van hun spruiten. Hun verhaal van en op de straat neemt een stief kwartiertje in beslag, terwijl de knulletjes braaf met hun nintendo spelen. Wij stoeien braaf met de graten van een zeebaars. 

“No gracias, no postre”, melden we Lola.

Señora Lola alias Dolores weet onverwacht raad met haar ongeschreven tarieven, als gerant is zij verre van antiek. Dat was ze slechts als chef-kok, als kwam ze uit lang vervlogen tijden voort. Een authentieke tipico Canaria-ervaring is ons ten deel gevallen.

Onze buurtjes gaan op hun laatste dag in de buurt van Erjos wandelen, niet al te ver van Garachico vandaan. Wij doen het - met nog een paar dagen voor de boeg - ook rustig aan. We bezoeken opnieuw Buenavista del Norte, waar we de enige niet-eilandbewoners zijn, maar waar verder weinig beweging valt te ontdekken. We keren pardoes op onze schreden terug naar Los Silos, waar het op het centrale pleintje een tikje levendiger is. Voor de ‘servizio’ moet je een stukje rondwandelen, door de ingang tegenover de kerk, een patio schuin oversteken, door de deur met het paarse bordje ‘Aseo’, en dan kiezen of je bij de op de wc-deur geplakte markies of markiezin naar binnen stapt.

Een grote rij kindertjes op de binnenplaats, in tweetallen hand in hand opgesteld, Spaans gekrulde schalkjes gekoppeld aan lachende madammekes van ongeveer een meter hoog, worden door een paar juffen en de schoolmeester de bibliotheek binnengesluisd. Ze zijn met twee touringcars gekomen, spannende avonturen dus voor deze naar schatting vijf-, zes-, zeven- en achtjarigen.

In de bibliotheek mogen wij gratis internetten, zo lang we maar willen. We zijn van harte welkom, Los Silos groet ons in het bijzonder. Wat een heerlijk ongedwongen sfeertje in dit houten ‘paleis’ van cultuur, waar kantoordeuren gewoon openstaan, of de achterliggende werkruimte nu bemenst is of niet. Terwijl wie dan ook van buiten zo naar binnen kan wippen. Overigens zijn toeristen in Los Silos op de vingers van een hand te tellen. Hoe lang nog?

Zonder bijgeloof trekken we er op vrijdag de dertiende op ons gemak op uit om in eerste instantie Bajamar en Punta del Hidalgo met een bezoek te vereren. Deze twee kuststadjes, die vier kilometer uit elkaar liggen, vormen een vreemd, gedateerd, dus oud vakantieoord aan de noordkant van het Anaga-gebergte. De stadjes zelf, die wel aan een facelift toe zijn, staan tamelijk vol appartementen en zielloze hotels. Toch hebben zij ook iets fascinerends. Golven slaan stuk op zwarte vulkanische rotsen, waar diepe grotten op holle ogen lijken. Niets lijkt hier op een strand, behalve het bescheiden zwarte strandje bij Bajamar, de plaatsnaam die ‘beneden bij de zee’ betekent. Op de achtergrond verrijst het machtige Anaga-gebergte.

Het Anaga-gebergte is via een smalle weg vol haarspeldbochten toegankelijk. Op enkele uitkijkpunten zien we ontoegankelijke eilandjes voor de kust, waar ettelijke vogels nestelen. Het berglandschap en dichte laurierbossen maken een imposante indruk. Op via de weg onbereikbaar lijkende plekken liggen verlaten gehuchten met verwaarloosde akkers op terrassen. Geitenhoeders in dikke wollen kleren trekken met hun kleine kudde en hun honden via smalle paden door de bergen. Zo nu en dan wordt de stilte doorbroken door geschreeuw van konijnenjagers en het knallen van hun geweren.

Punta en Puntero

De weg langs Bajamar houdt bij Punta del Hidalgo op. Hier kun je alleen te voet verder, wat wij niet hebben gedaan. Het meest curieuze dat hier te zien is, zijn de ‘piscinas naturales’, de natuurlijke baden die uit de rotsen zijn gehakt, zoals we die ook kennen van onze thuisbasis Garachico. Op een stormachtige dag kun je erin gaan zitten en slaan de golven over de rand, terwijl je rustig een bad neemt. Ben ik even blij dat we geen zeep hebben genomen. In deze hoek staat inderdaad altijd veel wind, met schuimkoppen op de oceaan.

De twee vakantieoorden Bajamar en Punta del Hidalgo ogen rustig. Het landschap om alle bebouwing heen is indrukwekkend.

Het rustige Punta del Hidalgo met ongeveer duizend inwoners ligt op de kuststrook aan de voet van de westelijke Montañas de Anaga. Aan het einde van de asfaltweg, die in een rotonde uitmondt, krijg je vanaf een soort uitkijkpunt een eerste indruk van het gebergte dat door kloven is doorsneden. Aan de rotsachtige oostkant, die tot voor kort onbruikbaar was, heeft men nieuwe grond opgebracht en bananenplantages gerealiseerd.

Aan de kust staat een hoog, modern monument voor zeelieden. Niet ver daarvandaan ligt, ver weg van alle drukte, een zwembad aan zee. Aan de rand van Punta del Hidalgo staan in de buurt van de rotonde enkele monumenten ter herinnering aan volksmuzikant El Puntero, een bekende inwoner. Hij woonde in een landhuis aan de voet van twee hoge rotsen, die Dos Hermanos (‘Twee broers’) heten. Hij nodigde vaak andere muzikanten van het eiland uit en de muziek die zij samen op de patio van zijn huis maakten genoot tot ver in de omtrek bekendheid. Vooral op feestdagen herleeft hier de herinnering aan El Puntero.

Alvorens bij het standbeeld van Sebastián Ramos - alias El Puntero - te zijn aangekomen, passeren wij eerst het standbeeld gewijd aan de Canarische muziekgroep Los Sabandeños. We spreken hierover met twee meiden van de plaatselijke VVV, die qua entree op een onooglijke manier onder El Puntero is gelegen, maar we vinden de toegang toch, anders dan twee andere bezoekers die vertwijfeld doorlopen. Een van de hostesses - het valt inmiddels op en te raden - spreekt een redelijk verstaanbaar woordje Nederlands. Zij heeft in Duitsland gewoond en luistert dan ook naar de klinkende naam Mercedes. Ze heeft er lol in om ons over van alles en nog wat te informeren, niet alleen vertellend, maar ook de fraaiste brochures uitdelend. Bovendien schept ze er genoegen in om ons, naar onze landsaard, toe te voegen: “Alles gratis!”.

Ik kan het niet laten om onnozelheid voor te wenden: “Alles gracias?”.

Op aangeven van Mercedes besluiten we bij Café Melita een kopje koffie met Duits gebak te nuttigen. In de pastelsfeer van het café kijken we in de diepte op de oceaan uit. Alles ademt hier Duits, de uitbaatster is Zwitsers en er wordt veel Nordic gewalkt.

Rond etenstijd, zo kwart voor enen, bevinden we ons op de Mirador de Jardina.

Jammergenoeg is er veel bewolking, toch kijken we de Teide recht in zijn gezicht, dat zware wolken boven zich moet dulden. Aan zijn voeten in het dal strekken zich Lego-blokkendoosjes van vooral La Laguna en ook van Las Caneteras, Las Mercedes en westelijker gelegen Tegueste zich uit.

In Tegueste zoeken wij vergeefs naar de glasmakerij, Erna’s hobby. De hoofdstraat bereidt zich op een enorm dorpsfeest voor. Op het centrale plein staat een podium met een werkelijk gigantische licht- en geluidsinstallatie. De laatste hebben Spanjaarden volgens mij echt niet nodig, getuige het Spaanse stel dat ik mij naast ons herinner in de rustige sfeer van Café Melita. Wat kunnen die lui een kwebbelkabaal produceren.

Het wordt langzaam frisser. Net als boven de Teide hangt nu ook boven ons hoofd op de Mirador een donkerzwangere wolk. Ik voel vijf druppels. Het is heel geinig om het dorpje Jardina links beneden te zien liggen. Een stuk of twintig Legostenen, meer niet: geel, grijs, blauw, beige, roodachtig bruin, donkerbruin. Kanaries geven een doorlopend concert, zoals honden in elk dal tevens hun nooit eindigende blafsymfonie weerkaatsen. De hoge heidebomen kruipen naar het hek waar we vóór staan. We zien volop grote margrieten met witte blaadjes en gele kern. Een bos faya's en arrebol lacht ons uitbundig toe. Een eenzame jogger stampt zwaarmoedig en zwaarlijvig, echt waar, over het asfalt de haarspeldbochten naar beneden. Waar heeft hij zin in?

Ik heb zin om een gedicht van Fernando Garciarramos, gedateerd 19 oktober 2005, te noteren. Het heet Anaga Senderos de Poesía:

Un horizonte de montes

Encierra al Valle de Aguere

Para tenerlo consigo

Y con los mares no sueñe,

Mas cuando el verano en saya

Su canción incandescente,

Cuando el Solsticio explosiona

La Laguna, de repente,

Tal un vivo resplandor

Se enamora y se estremece

Y cuando la pasión termina

Y el fuego su fuerza pierde

Las torres despliegan

Sobre las calles silentes llantos,

Los charcos copian

Memorias

Y luego desaparacen

Y en los aleros anida

El frío azul de diciembre.

Tanto ahora como ayer

Siempre la lluvia acontece

Y, tras las nubes, el sol

Es un reclamo perenne.

Sendero que lleva al mar

No morirá para siempre.

Vivirá en el infinito,

Vendrá con la luz naciente

Como la ola vendrá

Al litoral nuevamente.

Canta el verano en la mar

Su canción incandescente,

Y La Laguna, de nuevo,

Se enamora y se estremece.

Ik begrijp heus niet alle Spaanse woorden. Maar dat het gedicht mooi is, over bergen, zee, winterkou en voorjaar, is mij wel duidelijk.

Even verderop ligt het ‘Kruis van Carmen’ - Cruz del Carmen - op 920 meter hoogte, vol glassplinters van gebroken autoruiten. Zo ook op Pico Ingles, waar het door ons vermoede restaurant niet is. Dat is bij Carmen.

Teruggaande van Pico Ingles naar La Laguna slaan we het Kruis van Carmen over, genieten we onderweg van het bomenbladerdak dat aan La Palma doet denken, en landen we, hoewel het vrijdag is, in Casa Domingo te Las Mercedes.

Prominente palm en kleine kereltjes

Hoewel de ober van Casa Domingo z’n vreselijkste best doet in z’n beste Spaans - CD te LM is ten slotte een chic restaurant -, valt hem heel lastig uit te leggen, laat staan te bevragen, dat we en wat we willen eten. Twee kanariepieten doen hun uiterste best mee te orakelen. We komen uiteindelijk uit op een ensalada mixta en twee keer morcilla dulce de Tenerife met een beetje pappas fritas.

Door de glazen wand kijken we vanuit een loge op een mengeling van bomen met in hun midden een prominente palm, waarlangs ons gezichtsveld op het uitgespreide huizendek van La Laguna neerdaalt.

(San Cristóbal de) La Laguna, circa twaalfduizend inwoners, wordt in 1496 gesticht door Alonso Fernández de Lugo, nadat hij Tenerife heeft veroverd. Hij roept de stad uit tot de hoofdstad van het eiland en kiest haar als woonplaats. De schaakbordachtige indeling van de straten is later vaak nagevolgd in de Nieuwe Wereld, als daar tal van steden worden gesticht.

La Laguna ligt op een vruchtbare hoogvlakte tussen de Montañas de Anaga in het oosten en de Cumbre Dorsal in het westen. De stad is aan de oevers van een meer gebouwd (de naam verwijst hiernaar), maar niet lang daarna verdwijnt het water. Recentelijk zijn er plannen opgevat om in de nabije toekomst op dezelfde plek een kunstmatig meer aan te leggen. Volgens koninklijk besluit krijgt La Laguna in 1816 een universiteit - tot voor kort de enige van de Canarische eilanden. In 1818 wordt La Laguna bovendien een bisschopsstad.

In 1822 verliest La Laguna haar positie als hoofdstad van het eiland, maar ze heeft haar plaats als spiritueel en religieus middelpunt van de archipel behouden. Het oude deel van de stad is omgeven door nieuwbouw en industrieterreinen, maar het oude centrum met zijn rechthoekige stratenplan heeft zijn middeleeuws aandoende karakter bewaard. 

In december 1999 is La Laguna door de Unesco tot werelderfgoed verklaard.

Wij zijn eigenlijk best onder de indruk van onze rit naar het Anaga-gebergte. Fantastische vergezichten lijken La Laguna aan Santa Cruz te plakken, bedrieglijke schijn door de donkere berghellingen, waarachter in de verte de oceaan zich verschuilt. Van het beruchte noorder vliegveld - bijna veertig jaar geleden de grootste ramp in de burgerluchtvaart - stijgt een Boeing 747 op.

Santa Cruz is te herkennen aan haar cultuurtempel ‘Auditoria de Tenerife’, uit de verte enigszins gelijkend op het Opera House van Sydney. Het ivoorwitte gebouw in Heilig Kruis laat je door z’n opvallende vorm twijfelen of het een agaveblad, een vleugel, een kromme snavel, de vin van een vis of het dwarsblad van een strelitziabloem voorstelt. Dit ontwerp van de Spaanse architect Santiago Calatrava Valls, afkomstig uit de buurt van Valencia, biedt jaarlijks onderdak aan het muziekfestival van de Canarische eilanden.

NB1: Op de wc-deur van CD te LM lacht een mannelijk Picassogelaat mij vrolijk toe. Ik kan als het ware in de diepte wateren, de plasbak hangt namelijk flink onder kniehoogte. Spanjaarden zijn inderdaad kleine kereltjes.

NB2: We zitten in het rookgedeelte van restaurant Casa Domingo. Het gedeelte voor niet-rokers is afgesloten, die ruimte oogt trouwens zeer ongezellig. Gelukkig krijgt onze buurtafel bezoek van de pater, met liefst vijf nonnetjes aan zijn zijde.

“Die zullen hier toch niet roken?”, gist Erna zachtjes in mijn richting.

“Niet onder hun kapje vandaan”, reageer ik.

Erna benadrukt: “Dit is een chic restaurant, hoor”.

Chic, maar wel fris, mede door de betegelde vloer en terrasbalkondeuren die open staan. Onze bestelde salade ziet er in ieder geval pico bello uit, de morcilla dulce verrassend: per persoon zeven zoete bolletjes met amandelschaafsel erin, luchtig gerold, in een donkerrode bietjeskleur. Behoorlijk dulce, zeer zoet dus. Het smaakt wel, de vraag is echter hoeveel van de zeven je op kunt zonder misselijk te worden. Eigenlijk is het een vreemde combi: gemengde salade, zoete ‘gebakjes’ en patatjes.

Ik werk zeven op zeven bolletjes naar binnen, als een echte Hollander. Erna uiteindelijk toch ook zes van de zeven. De salade gaat naturalemente schoon op, de patatjes bijna en de twee additionele broodjes voor driekwart. We kunnen er weer tegen, zegt de ene bolle wang tegen de andere.

Geen glasblazer en geen geld

Op de terugweg moet en zal Erna de glasblazerij van de Oostenrijker Gustl Letonja in de Calle Calvo Sotello 44 van Tegueste aandoen. Hij vervaardigt allerlei soorten glas, van Tiffany-klassiekers en modern tot tafels en lampen. Volgens ons reisgidsje kunnen we hem op vrijdag of zaterdag van 10.00 tot 18.00 uur aan het werk zien. Wel, we vinden het adres op vrijdag de dertiende rond half vier in de middag. De enige persoon die wij in het dorp ontdekken om de weg aan te vragen, is een oudere dame die niet uit Tegueste komt. Zij haalt haar schouders dus met verbazing op haar gezicht heel hoog op. Op eigen kracht zijn wij tot veel in staat. We lopen zo op die Calle af, het straatnaambordje hangt om de hoek. Voor nummer 44 moeten we een lichte, lange afdaling maken. 

Ter plekke aangekomen zien we geen glas- maar ijzerwerk dat neerhangt voor de etalage. Op een briefje staat aangegeven: vakantie van 9 tot 17 april. We vermoeden dat onze glasblazende vriend naar Tirol is, onwetend van de hoempa- en heisamuziek in zijn eigen woonplaats, die voor het aankomende feest al op vol volumen aan staat. Ons rest www.artisglas.com te noteren, voor de volledigheid.

Verder valt in Tegueste niets te beleven, zelfs de geldautomaten van de Cajas Canarias geven tot drie keer toe niet thuis. Geen verbinding met de computer in Holland, jokken de siësta houdende bankfiguren. Dus racen wij gauw naar Garachico, waar dezelfde Caja Canaria simpel en snel de gevraagde hoeveelheid euro’s uitspuugt, zodat we onze weekendboodschappen eerst in de auto en daarna in huis kunnen halen.Om kwart over vijf vallen we onze schoongemaakte finca-woonruimte weer binnen. De langste dag tot nu toe zit erop, zowel in uren gezien als in 158 kilometers.

Jachten en jagen

Opnieuw schijnt het zonnetje vrolijk. De wind is gaan liggen. Erna oppert een briljant idee: wandelen naar La Villa de los Silos, drie kilometer, dus hooguit drie kwartier. De route is langs de asfaltweg, waar een kleine meter brede betonstrook voor voetgangers naast ligt. Het pad leidt langs de bananenplantages, rechts daarachter de blauwe oceaan, links - in de schaduw - donkere koppen van grillige hoge rotspartijen, alsof zwijgende gorilla’s het schouwspel aan hun voeten bekijken vanuit hun ingevallen ogen, die net als hun neusgaten door grotten en holen in hun gelaat worden verbeeld.

Opeens klinkt in de bergen een luide knal, die vier, vijf keer doorgalmt. Jagers op pad, concluderen wij. Op welk wild zullen zij jacht maken? Erna danst voor mij uit, het zonnetje brandt in onze nek. Aan de bananenbomen hangen grote kammen, soms in grijs of blauw plastic verpakt, om te rijpen. Erna geniet van gele mimosa, van witte oleanders, en van de zachtroze en roodroze. Een prachtige ficusboom trekt aandacht. ‘Mooi voor onze tuin’, zie ik haar denken.

Op een bankje langs de weg, de hoge muur van een bananenplantage in hun rug, zitten twee gebruinde oudere mannen, amper tanden in hun lachende gezichten. Met Spaanse humor verwoorden zij waardering voor de passerende wandelaars. Waarom zij daar zitten is niet duidelijk. Langsrazende auto’s kunnen toch niet boeien? Of zitten zij er voor de af en toe langsscheurende Schumachers of Rossi’s? Wellicht voor de diverse ciclista’s, sommigen in groepjes bijeen, anderen solo op hun glimmende racefietsjes. Een van die sportievelingen passeert ons in geel shirt, blauwe fiets en blauwe helm voor de vierde keer. Denkt hij soms dat ik wielerscout ben, op zoek naar talent? Of wil hij Erna eens goed bekijken, heeft hij een rondemiss nodig? Of heeft hij gewoon een vaste route met zijn beperkingen, heen en weer?

Bij iedere voetstap schieten kleine en grote hagedissen schielijk de veiligheid van de spleten tussen de rotsblokken binnen. Ze zijn ons na een kleine twee weken nog steeds niet gewend en zoeken razendsnel beschutting als we te dichtbij komen. Bij Finca Amarilla stap ik het houten, openstaande deurtje in de stenen muur door, om de bananenbomen geelgetint vocht te bedélen. Tijdens het klateren hoor ik links en rechts geritsel van bladeren, waaronder de hagedissen van hun eenzame rust genieten.

Witte huisjes schitteren in de zon, ook hoog in de bergen. Is dat plukje Erjos, zijn we daar langsgereden op weg naar Masca? We weten het niet, oriëntatie is lastig.

Vlak voor het bord Los Silos ligt het zwarte gravelveld van de voetbalclub in La Caleta, pal langs de weg, wel met begaasde omheining tot meer dan manshoogte. Voor het hek staan drie Spaanse mannen de werkzaamheden van twee gebukte arbeiders gade te slaan. Het duo is bezig een donkergroen kunstgrasveld aan te leggen. Het ziet er gelikt uit, daar zal spoedig fanatiek op gespeeld kunnen worden. Waar een deel van het veld al gereed is, wordt het gerold en natgespoten.

Concert of cumpleaños

Iets verderop is een picknickplaats, waar twee Spanjaarden op leeftijd vrolijk lachend als kok optreden. Diverse tafels staan in de schaduw van uitwaaierende laurierbomen, die als parasols fungeren. Op de tafels staat het een en ander uitgestald, vooral flessen met drank en bronwater. Uit brandende roosters stijgen rookzuilen op, de barbecue met veel vlees functioneert prima.

“Cumpleaños”, roept een van de twee naar ons. “Of wij alvast een stukje vlees willen proeven?”. 

Het is nog geen elf uur.

“Eerst koffie”, beduiden we. “Wij komen uit Holland”.

“Ah, Holanda!”. 

De mannen bereiden het verjaardagsfeest van een dochter voor. Laura wordt vandaag achttien jaar. Er komen zo’n veertig gasten, vooral familie.

We zijn benieuwd naar onze terugtocht, als we hier opnieuw passeren.

La Villa de los Silos heet ons welkom met bloeiende geraniums. Aan de dorpsentree staat ook een levensgroot bord - witte driehoek met rode rand -, waarin een voetganger op een zebrapad oversteekt. In de auto rijd je er zo voorbij, als voetganger valt het des te beter op. Dat zou toch andersom moeten zijn?

Los Silos bruist op zijn manier. De luidspreker van de rondtoerende dorpsomroeper kondigt van alles en nog wat aan. De bibliotheek is zaterdags helaas gesloten, geen mogelijkheid tot internetten dus. Plaza de la Luz loopt vol Spanjaarden die van machinale muziek genieten, groepjes jongens en vooral veel ouderen, de Spaanse mannen voorop.

Wij genieten mee met koffie en cerveza Dorada de la grife, een tapbiertje voor mij. Morgen doen we onze wandeling nogmaals om het concert van de Agrupación Musical de Garachico vanaf 12.00 uur op de Plaza bij te wonen.

“Otra ronda?”, roept de camarera begrijpend uit, wanneer we op afstand gebaren nog een kopje koffie en glaasje bier te willen.

Huiswaarts lopend slaat de kerkklok zijn twaalfde slag. Voor even valt dan stilte in. Opeens, vlak voor de rotonde, staat Calle del Olivo in vuur en vlam. Het plaatselijke voetbalteam is kampioen geworden. Zo’n vijftien auto’s in file, gevuld met juichende spelers en supporters, blauwrode vlaggen uit de raampjes zwaaiend, toeteren ons de oren van het hoofd.

“Voetbal, overal hetzelfde”, constateert Erna. Met recht.

Voorbij de rotonde zwaait een half dozijn statige palmen ons deftig uit. Plechtig gebaar.

Het verjaarspartijtje is nog niet in gang gezet, vlees en aardappelen zijn wel gaar. Enkele nieuw aangekomen familieleden dekken vast de tafels, waarboven de nodige veelkleurige ballonnen zijn opgehangen.

Op een tekstbordje lees ik ‘Prohibado jugar la pelota’. De tip lijkt mij meer dan verstandig, want als de bal de weg op rolt, doet zich een dikke kans voor dat je er bent geweest. Dat blijkt even verderop als een lokale ‘loco’ werkelijk knallend knalhard komt aanscheuren. Wanneer hij ons op een recht stuk in een flits passeert, komen wij net langs een tegen de bananenmuur geplaatst gedenkteken. In een uitgedroogde glazen pot staat een vergrijsd houten kruis met verschrompelde bloemen. 

Ik gun de langsscheurende malloot het eerstvolgende memoriaal, aan hemzelf gewijd, hopelijk zonder dat hij een ander slachtoffert.

Campo Municipal van La Caleta de Interián is bijna klaar. Slechts de groenstrook voor de grensrechter moet nog worden aangebracht, en het lijnenspel. Dubbelzijdig plakband wordt uitgerold. Hier ontstaat een speelveld voor nieuwe kampioenen, het veld ligt er uitmuntend geknipt bij.

“Por los chicos”, lacht een voorbijganger tevreden.

La Caleta kent geen damesvoetbal.

De ‘gorilla’s’, omringd door wolken, ogen een stuk gemoedelijker. Als wij Garachico binnenwandelen fluit een minimusje op een kale boomtak zijn welkomstsonate. De stilte valt vervolgens in en heft zich ogenblikkelijk op wanneer ‘Hells Angels’ van Tenerife langsdenderen. Ik tel er 25 in gelid over de volle weghelft, niet naast maar steeds schuin achter elkaar. Wat kan de bovenwereld toch een herrie maken!

Voor wij bij ons optrekje arriveren, komt nog een achtergebleven engel met enorm hoog stuur voorbij. Zijn decibellen zijn te verteren.

Twee biertjes op het plein van Los Silos brengen mij niet het licht, want ik ben glad vergeten dat ik tussen 12.00 en 13.00 uur onze terugvlucht wil reconfirmeren. Gelukkig is Erna met twee koffie achter de kiezen helder van geest. Net op tijd krijg ik onze hostess van Parasol Service in Playa de las Américas aan de lijn, die meedeelt dat onze terugreis zonder wijzigingen op de rol staat. En passant legt zij uit dat Las Brujas, ons honk in Garachico, staat voor ‘de heksen’.

“Blij dat u dat nu pas zegt”, reageer ik, “maar we hebben het tot nu toe heel goed naar onze zin”.

Die slotopmerking is vooral gebaseerd op de wetenschap dat wij zo ‘bij onze buren’ (die van het restaurant) kunnen aanschuiven. La Ribamar Restaurante: net na enen zijn we de eersten. Dit keer bestellen we bij onze vriend geen ‘Parillada de pescado’ voor twee, maar ieder voor zich kiest voor een entrecôte, naar bij opdienen blijkt van reusachtig formaat. Terwijl Erna eerst nog een soepje vooraf neemt en ik mosselen à la plancha.

Deze laatste zaterdag kan niet meer stuk. Vanmiddag besluiten we heerlijk op ons terras van het zonnetje te gaan genieten. In die mooiste zonnige namiddag dalen parapentevliegers langs de bergkammen draaiend voor onze ogen uit de puur blauwe hemel tot bijna aan onze voeten. De wereld kan wel mooi zijn.

Van onze laatste domingo op dit eiland zullen we beslist een rustig dagje maken. Dezelfde lucht, dezelfde zon, dezelfde wandeling als gisteren. Kuierend langs de snelweg naar Los Silos, hopelijk minder druk bevolkt met verkeer dan gisteren. De zee voor onze neus kent op deze vroege zondagmorgen wel spitstijd: diverse vissersbootjes dobberen rond om een zondags maal boven water te tillen.

Om 12.00 uur begint op Plaza de la Luz het Concierto van Banda de Música de la Asociación ‘Agrupación Musical de Garachico’ onder leiding van Director Antonio Jesús Gutiérrez de León. Met zo’n aankondiging kan het concert volgens mij al niet meer stuk, al staan op de affiche overwegend mannen afgebeeld, zonder instrument. Met m’n leesbril op ontwaar ik een paar dames tussen het totaal van veertig musici.

Maar ja, nergens staat mannenkoor vermeld, hoewel zij allemaal keurig in het pak steken, daar niet van. Allemaal mét stropdas, geen Woutertje te bekennen in het bos muzikanten. Het concert is georganiseerd door El Secreto de Tenerife van Isla Baja onder de noemer Los Caprichos Musicales de la Isla Baja 2007, in het kader van Il Ciclo de Música Vocal y Instrumental. Cultuur, cultuur, cultuur. En wat kunnen wij ons Spaans weer ophalen. En ons Engels: ‘Musical Whims’. En ons Duits: ‘Laune auf Musik’. Dat belooft wat!

Het uitgelopen ‘pleintje van het licht’ in Los Silos is zonnig gestemd. Als we de kasseienstraat del Olivo bestijgen, glimt het witte kerktorentje ons tegemoet. Erna maakt nog een stop bij het schattige ‘Plaza de la Constitución’ uit 1978 aan onze rechterhand, waar de peluqueria uitziet op rustieke buitenbankjes en houten balkonnetjes.

We zijn bijna op het centrale plein. Op alle hoeken en in de zijstraatjes staan druk gesticulerende Spanjaarden in zondagse kledij, in afwachting van wat komen gaat. Opeens bombarderen de kerkklokken ons met een lange, blikken inleiding om het ronde uur van elf. Na een tintelend intro volgen paukenslagen, in juiste volgorde van één tot en met elf.

Don Remo, in betonnen hoofd naast de kerk op een half door de zon beschenen sokkel, staart ongeroerd naar de overkant. Zou hij zijn gelaat een kwartslag naar links draaien, kon hij van het vrolijke geroezemoes op Plaza de la Luz meegenieten. Eerst voor alle zekerheid maar weer even een plasje doen in de bibliotheekbijgebouwen, om ruimte te creëren voor koffie en het biertje, een ‘grife’. Ik bestel dit keer een kleintje, zeker geen grande, por favor, het is nog vroeg.

Wij installeren ons op de hoek van het terras, wat je noemt balcon loge. Slechts de pal voor het podium opgestelde VIP-stoeltjes bieden een betere positie. Een groot damesgezelschap wandelt statig de kerk uit, voorzichtig op de steile stenen traptreden, en gaat het Ayuntamiento op huisnummer 9 binnen. Een duif deponeert een klodder op een van de VIP-stoelen. Ik ben het met de vredesvogel eens - vrijheid en gelijkheid.

Wanneer de beiaardier van de kerk zich om half twaalf weer in een lange riedel uitslooft - “Hij doet dat best gevoelig”, zegt Erna met haar wijsvingers in de oren - komt de damesgroep het gemeentehuis uit en hobbelt naar de nog steilere zes hoge stenen treden van het bordes dat naar het culturele centrum voert, waarachter de patio met houten balkons van onder meer de bibliotheek en ons toilet.

Knalrode klep

De genodigde dames (zijn zij de VIP’s?) hebben allemaal een spierwitte pet met brede knalrode klep in hun hand. Petten zijn toch voor op je hoofd, peins ik me suf. Niet bij deze ladies. Het rood en wit geeft mij een flauw vermoeden van de gemeentekleuren van La Villa de Los Silos.

Uit alle hoeken duiken muzikanten en muzikantes te voorschijn, instrumenten in de hand: saxofoon, klarinet, trompet, koffer met hobo, dwarsfluit. Het lachende zonnetje schijnt stralend.

Pasodoble, petten, plasje

De musici staan zich gezellig keuvelend in verschillende groepjes voor te bereiden. Sommigen hebben hun jasjes uitgetrokken, ze hebben het nu al warm. Een actieveling klapt op het geïmproviseerde podium alvast tientallen klapstoeltjes uit. Wij ontvangen beiden een ‘Plan de Dinamización Turística’, uitgereikt door een vriendelijk gedienstige mevrouw in keurig wit overhemd en grijze rok.

We bestellen een otra ronda. Koffie en bier, bijna een vaste gewoonte.

Het inlegvel van het dynamische plan bevat het muzikale programma op een kleurrijk gesponsord A-viertje. Naast Spaanse namen als Santamaria, Julio Salgado en Gil Serrano, pasodoble en samba-tanguillo, ontdek ik de namen van Jacob de Haan en Jim Jacobs! Nederlanders in den vreemde?

Het concertprogramma begint met Santa Cruz de Tenerife, een pasodoble. Het een na laatste nummer staat vermeld als het onvolprezen ‘GREASE’. Wow, was Olijfje - vroeger was ik een beetje verliefd op Olivia Newton John - er maar.

Een tijdschema ontbreekt. We zullen wel zien hoe lang het concert duurt.

Twaalf uur precies. Het stemmen van de instrumenten begint, de flesjes water - aqua minerale zonder bobbeltjes - zijn uitgedeeld. De beiaardier neemt een nieuwe, kortere aanloop en slaat twaalf. Het is een kakofonie van geluiden die door een televisiestation aan het front in beelden wordt vertaald.

Een duif landt, bijna op het hoofd van onze Engelstalige buurvrouw. Met een servetje veegt zij iets van haar chique rok. Een vredesboodschap?

Zeker veertig musici, toch aardig wat jonge chica’s ertussen, anders dan op de geafficheerde foto, nu wel allemaal met hun eigen blaasinstrument in de hand, nemen de klapstoeltjes in beslag. Het podium is tot de laatste plaats volledig gevuld, alsof het nauwkeurig is berekend. De tv-camera zoemt in op de voorste saxofonist, de enige muzikant die zijn donkergrijze jasje nog aan heeft.

Rond het keurig netjes verzorgde grasperk met planten en bloemen, slechts een paar verdorde rosa’s te zien, drentelen jong en oud heen en weer.

“Hoezo dikke kont?”, vraagt Erna rondkijkend aan mij.

De houten VIP-stoeltjes, keurig met programmaboekje belegd, zijn alle onbezet. Het wachten is kennelijk op het roodwitte pettengezelschap. Waar hangt dat uit?

Twee autochtonen zijn zo vrij om twee VIP-klapstoeltjes uit de volle zon te verplaatsen en zetelen zich een meter of tien zijwaarts, in de schaduw. Goed bekeken.

Het is kwart over twaalf, de hobo’s dreinen hun dreun. Mijn plasje dringt aan, dat van Erna niet minder. Ik snel naar de patio. Alle deuren zijn gesloten. Tijdens het concert mag, zo lijkt het, niet geplast worden. Althans niet door dames. Want ik ontdek tussen de geparkeerde auto’s op de achterliggende parkeerplaats een cultureel stahoekje. Ik besef dat het politiebureau naast de kerk zit, vlakbij en in zicht, maar de Spanjaarden kennen het begrip ‘wild plassen’ toch nog niet in hun wetten?

Erna is beschaafder dan ik. Zij houdt haar aandrang gewoon op. Ik vind dat knap.

Bijna half een, de pasodoble begint. Spaanse klanken met een Spaanse beginslag, vrolijk, allegro. Van alle kanten klinkt luid applaus.

Bij het inzetten van het tweede nummer komt een vrouwelijke ‘drietonner’ op geroofd VIP-stoeltje - allemaal nog steeds onbezet - naast ons zitten. Ik kijk Erna aan, zie haar hardop denken: “Ikke dikke kont?”.

Het wordt drukker en drukker op de Plaza. Een echt openluchttheater ontspant zich. Achter de kiosk met ijs en knalrode zoete lollies hobbelen auto’s over de kinderhoofdjes voorbij. In een dorpje als dit lopen enorm veel lelijke mensen rond, valt mij op. Tamelijk veel gehandicapten, om niet te zeggen mismaakten, al of niet in rolstoel. 

Tja, wat gebeurt er allemaal in de romantiek van zo’n afgelegen dorp?

Om exact half één ebt het klaterend applaus voor Santamaria’s pasodoble, genaamd Santa Cruz de Tenerife, weg. De onzichtbare beiaardier grijpt opnieuw zijn kans. Dirigent Antonio en zijn muziekensemble laten zich niet uit het veld slaan. De klassieke muzikale tocht op het zonovergoten plein gaat onverdroten voort. Eerst een medley, dan een andante, tempo en moderato. Ook deze verdienen beschaafd applaus, waarna een medley van bolero's volgt.

“Als wij nu een walsje wagen, stelen we de show. Stel je voor, Erna y Pedro op Télévisión Tinerfueño!”, wijs ik mijn getrouwe partner op de aanwezige tv-camera. Erna weet dat ik bluf, kent mij door en door. Het is lang geleden dat wij onze laatste wals walsten. Er zijn evenmin andere waaghalzen. 

Opnieuw klinkt handgeklap. Achter mij hoor ik “Bravo”. Ik kijk om en vraag “Ben jij dat?”.

Het ís Erna, in helder, universeel Spaans.

Terwijl ‘Grease’ wordt ingezet, probeert een ‘Travolta’-schoffie de aandacht van twee meisjes op de voorste rang te trekken. Achter de dametjes gooit hij een plukje gras uit het perk in hun haar. De ‘Olivia’s’ laten zich niet verleiden, Juanito sluipt onverrichterzake naar de achtergrond, waar zijn gangleden staan te gniffelen.

Rond half twee volgt een toegift, die een klassiek, sprankelend uurtje muziek in de buitenlucht besluit. Een concert voor twee Hollanders - want gratis, gracias -, dus mag het ene van de drie (!) biertjes dat dubbel wordt berekend de pret niet drukken. Bravo, bravissimo.

Adiós biertje, adiós Dorada

De volgende dag staan we om half negen op. Het heeft de hele nacht stevig geregend. De regenpijp van het dakterras lekt luid en duidelijk boven ons openstaande slaapkamerraam. 

Tenerife laat weten dat we naar huis moeten!

Vandaag eindigt het genotvolle goede leventje van veertien dagen lang. Een leventje dat iedere dag begint met een schotel muesli, doorspekt met verse vruchten, het geheime recept met liefde door Erna klaargemaakt. Het zal weer wennen worden, terug naar Perla Americana in plaats van Dorada om elf uur in de ochtend.

We besluiten om bovenlangs in noordoostelijke richting naar het zuidelijk gelegen vliegveld te rijden. We hebben immers de godganse dag om daar te komen, onze vlucht gaat pas om 20.40 uur, ijs en weder dienende.

Om tien uur exacto sluit Erna voor de laatste keer het toegangshek van Las Brujas. Laat moeder-de-vrouw maar komen, met of zonder haar bezemsteel.

Adiós finca, adiós Restaurante Ribamar.

Erna wil nog een blik werpen in San Juan de la Rambla. Dat kost weinig moeite, het is vlakbij. Het dorpje ligt doodstil aan onze route. Het oogt pittoresk, maar er is helemaal niets te beleven. We kussen het vluchtig, adiós.

Candelaria is een havenplaatsje van elfduizend inwoners. Hier huist een knots van een basiliek. Erna nuchter: “Basilieken zijn meestál groot”. Deze is van de Madonna van Candelaria, de ‘licht schenkende’ beschermheilige van de Canarische eilanden. Volgens legende is het Mariabeeld nog vóór de kerstening van Tenerife door Guanchen ter hoogte van Güímar op het strand gevonden. Na enkele wonderbaarlijke gebeurtenissen krijgt het beeld bijzondere betekenis en wordt het in een grot geplaatst. In de 19e eeuw verdwijnt het bij een stormvloed in zee. Daarna is het nooit meer teruggevonden. Het huidige Mariabeeld is een imitatie van een vroegere kopie.

Elk jaar wordt half augustus een grote bedevaart naar het beeld gehouden, waarbij de pelgrims op het grote plein voor de basiliek samenkomen. Aan de rand van het plein staan enkele realistische bronzen beelden die de negen ‘menceyes’ voorstellen, inheemse heersers uit de tijd van de conquista.

Voor bezoekers zijn met name het oude centrum en het moderne stadsdeel Las Caletillas van belang, waar langs de strandpromenade veel nieuwe restaurants en cafés zijn te vinden.

Na het geluk van een subliem parkeerplekje boven het plein dalen wij de traptreden af. We steken onze neus in de basiliek en bijbehorend souvenirwinkeltje - cd’tje met traditionele Canarische muziek aangeschaft - en wandelen op ons gemak door het oude centrum. Uiteraard proeven we ook een biertje en een ‘kofje koppie’. Er heerst een heerlijk sfeertje, ondanks de omvang van het stadje, zeg maar twee keer Garachico qua inwonertal. 

Om 12.00 uur moeten onze oordopjes weer even in: twaalf klinkende paukenslagen uit de top van de basiliek.

Op een bankje van het grote plein bestudeer ik de negen Guanches in brons. Erna maakt foto’s, ik probeer zo’n oerinwoner van z’n sokkel te stoten. In alfabetische volgorde lees ik van rechts naar links dribbelend hun illustere namen: TEGUESTE, ROMEN, PELINOR, PELICAR, BENEHARO, BENCOMO (in de Duitse roman ‘Tanausú, Koning der Guanchen’ lees ik over hem en Ica), ANATERVE, ADJONA, ACAYMO.

Hoewel onze honger begint te knagen, zoeken we wat verder dan Candelaria naar een eetgelegenheid. Die queeste eindigt ongeveer twintig kilometer voor het vliegveld, onze eindbestemming op Tenerife. Restaurante Bar de Todos in Poris de Abora is een pleisterplaats waar je normaliter niet voor kiest. Er staan minstens vijftig windmolens tussen de rotsen voor de deur van dit ongezellige dorp. Het waait er flink, dat zal veelvuldig, zo niet altijd het geval zijn. Nu beseffen we dat een groepje windmolens op twaalf kilometer uit de kust in onze woonomgeving - Egmond, Castricum - eigenlijk niks voorstelt. Even verderop staan er opnieuw een stuk of vijftig.

Deze zuidelijke Tenerifekust moeten wij helaas als een lelijke, kaalogende zeestrook beoordelen. De vangst uit het zilte nat - calamares à la plancha, sardines - laten we ons niettemin goed smaken. Ik bestel een cerveza pequeña, maar bier van de tap is er niet. Mij wordt een flesje Heineken op miniformaat, 25 centiliter, voorgezet. Dat schiet niet op, doe mij dus nog maar zo’n botellín (flesje). De porties op onze borden zijn enorm, net als het geluidsvolumen van de discussiërende arbeiders, die in ploegendienst aanschuiven voor hun stevige warme hap.

In El Médano staat achter het hotel Médano een eerbetoon aan de Portugese ontdekkingsreiziger Magellañes. Een gebeeldhouwde Maya tuurt naar de ‘Rode Berg’ (montaña roja). Achter deze Rode Berg ligt trouwens vliegveld ‘Koningin Sofia’, dat we met onze tijdige aankomst een paar uurtjes geconcentreerd kunnen bestuderen.

Ons Avia-huurautootje plaatsen we keurig, zoals verzocht, in rij negen van de parkeerplaats. Geen schade opgelopen, de tank is bijna leeg, echte Hollanders nietwaar, en 950 kilometer op onze veertiendagenteller.

“Goed gedaan, jochie”, geeft Erna me een kus. Dat doet zij altijd (pas) als ik haar als privé chauffeur de mooiste plekjes van de wereld heb laten zien.

Broodje, biertje, betalen betalen

Dan begint het lange wachten op Aeropuerto Reina Sofía, uiteraard wél met een dubbeldikke bocadillo met rauwe ham en een lekker drankje (bier en fris), ongeacht de te vele euro’s die zulks kost.

We raken ruim van tevoren geëmbarkeerd en zitten - zonder het in de gaten te hebben - in de menigte die een uur eerder vanuit dezelfde slurf naar huis vliegt. Erna is weer de wakkerste van ons tweeën en ontdekt dat. Het is geen probleem, want we zijn toch veel te vroeg. Meteen ontdekken we dat onze terugvlucht intussen een andere slurf heeft toegewezen gekregen. MP0402 vertrekt conform schema om 20.45 uur naar Amsterdam, waar wij om 2.00 uur in de nacht op Schiphol landen.

Een gezellige Brabander naast ons weet de reistijd aardig in te korten met zijn vakantie-ervaringen uit heden en verleden. Hij is bovendien nieuwsgierig naar de onze, ook uit heden en verleden. Onze koffers vergen bij aankomst, hoewel we de laatst gearriveerde menigte in de rand van deze nacht zijn, een lange wachttijd. Gelukkig duikelen ze op de band te voorschijn. Nu de taxi zien te vinden.

Taxi Haulo moet zich aan de STA-balie, naast Délifrance, op Schiphol Plaza bevinden. Na enig speurwerk melden wij ons daar tussen andere taxigegadigden. Délifrance slaapt helaas, wij niet, hoewel we er al een tijdje tegen knokken. Na een klein uur meldt de Haulochaffeur zich en pikt ons tezamen met twee Castricumse dametjes voor de rit naar huis op. Wij zijn het eerste afzetproduct en voeren onze medepassagiers en chauffeur langs de krochten van het Heemskerkerduin naar Hoeve Zuid Endt, waar we onze oprit van driehonderd donkere meters wandelend met koffers en rugzak afleggen, om geen slapende oasebewoners te wekken.

Thuis, al zijn we het nog een beetje kwijt, weer thuis, vertrouwd. Het is bijna half vijf als Erna en ik weer in ons eigen bedje schuiven. Vooral voor Erna een glansrijke opluchting. Aan het evenement met Evenements Reizen is een goed einde gekomen.

De tijd staat stil

Alle Canarische eilanden zijn vulkanisch, maar niet een is zo spectaculair als Tenerife. De laatste grote uitbarsting vindt plaats in 1798 (daarna is er nog een kleinere in 1909), als een scheur ontstaat langs de zuidwestelijke flank van de Pico Viejo (‘Oude Top’), waaruit een enorme golf magma omhoog wordt gestuwd.

De hoogste berg van Tenerife - de Teide - oefent de grootste aantrekkingskracht uit. En toch is het slechts een van de vele vulkanen en kloven die miljoenen jaren geleden langs een breuklijn op het eiland zijn ontstaan.

De Teide is een strato-vulkaan, een natuurlijk bouwwerk dat gedurende vele millennia is opgebouwd. Herhaalde erupties spuwen lavastromen uit, elke uitbarsting voegt een nieuwe laag toe en helpt zo de kegel op te bouwen. De Teide en de andere toppen zijn betrekkelijk jong. Volgens schattingen zijn de oudste vulkanische rotsformaties op het eiland zeven miljoen jaar oud. Hiertoe behoren ook het Teno-massief in het noordwesten en het Anaga-gebergte in het noordoosten.

De ‘caldera’ (ketel) waarin de berg Teide is gegroeid, is een van de grootste ter wereld. Hij staat met 3.718 meter hoogte in een rijtje met beroemde vulkanen als Vesuvius - Kilimanjaro - Fujiyama - Etna.

Tenerife is nog steeds vulkanisch actief. Dat is te zien aan de ‘fumarolas’, de gasachtige damp die op bepaalde punten uit de top omhoog komt. Wij hebben op onze wandeling op 3.500 meter hoogte van zwavelgeuren kunnen genieten.

Er wordt gezegd dat de Teide zich op een dag zomaar weer eens van zijn duivelse kant kan laten zien. In het Engelstalige veertiendaagse ‘sufferdje’ van Tenerife - The fortnightly TENERIFE NEWS - lees ik op vrijdag 13 april 2007 een artikel met de boodschap dat noch Tinerfeño noch toerist zich welke zorg dan ook behoeft te maken …

Mount Teide is safe - it’s official

After five years of research a team of twelve scientific investigators has announced that Mount Teide does not pose a significant threat as far as the possibility of an eruption is concerned.

After numerous chemical and Carbon 14 analyses of quantities of lava samples, strata and the different organic material found within them, the boffins have concluded that the volcano’s phase of mega-eruptions ended some 30.000 years ago and that its volcanic activity has been scarce over the past 10.000 years.

Even Teide’s most ‘recent’ eruption, which they reckon to have taken place some time in the eighth century would not have posed any risk to the population, they said.

Met groot genoegen denken Erna en ik aan ons eerste, tot nu toe enige bezoek aan Tenerife terug. Uit de vele indrukken hebben wij nog steeds ‘The Road to Masca’ op ons netvlies staan: “A narrow winding road climbs up Teno massif to Masca, a tiny but charming hamlet, where time seems to have stood still in the shadow of a rocky peak. From this oasis of peace and dramatic, natural beauty, a deep ravine with sheer cliffs lining its course, runs down to the sea.’

(The End)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!