petersamuel.reismee.nl

Tenerife, tijdje terug

Lang geleden

In mei 1493 komt een Spaanse strijdmacht van duizend man infanterie en 150 paarden op Tenerife, vlakbij Santa Cruz. Onder leiding van Alonso Fernandez de Lugo luidt hun missie om de laatste van zeven Canarische eilanden te veroveren. De andere zes zijn al sinds 1402 veroverd in een strijd die uit naam van de Spaanse kroon door huurtroepen, vrijbuiters en andere mislukkelingen wordt gevoerd.

Het verhaal van de verovering is tot dan toe een triest verhaal van bedrog, moord, slavernij en ballingschap, waarbij de Spanjaarden niet op kunnen tegen de pijlen en bogen en guerillatactieken van de eilandbewoners.

Eerdere pogingen om Tenerife te bezetten zijn vruchteloos, maar de Europeanen blijven lang genoeg om onder de indruk te raken van de lokale bevolking. Volgens hun verklaringen zijn bewoners lang en blond, met blauwe ogen. Zij noemen zichzelf ‘Guanches’, van guan (man) en che, een woord dat naar de berg Teide verwijst. Guanches zijn dus ‘Mensen van Teide’ (of - uitgebreider - van Tenerife). De naam Guanche wordt vervolgens gebruikt om de inwoners van alle eilanden aan te duiden, hoewel die in veel stammen zijn verdeeld.

                                                       * * * * *

Niet zo lang geleden

Op de eerste maandag in april van 2007 zal Taxi Haulo om 13.20 uur langskomen om ons naar Schiphol te brengen. Wij zijn net naar ‘Hoeve Zuid Endt’ verhuisd, gelegen aan de Hondsbosseweg in het Heemskerkerduin. Ik besef dat de taxichauffeur het moeilijk zal krijgen. Wij hebben ons verschanst in een verscholen vakantiehuisje, een van de ruim twintig die op een utopisch natuurgebiedje onder de rook van de hoogovens, op steenworp van zee, verstopt staan. Wonen in het blikveld van Hoogovens, later Corus, nu Tata, we hebben die keuze met een stalen gezicht gemaakt. Het is tijdelijk. ‘Kapitein’ Admiraal ziet het in ons zitten. Wij in hem en in zijn paradijsje.

Hoeve Zuid Endt is met de auto bereikbaar. Ons huisje - voorheen ‘Bekijk ’t’ - is honderd meter ver het boerenerf op. Bewegwijzering ontbreekt. Gastheer tevens beheerder Admiraal vindt de benaming ‘Bekijk ’t’ maar niks. Bij onze komst verwijdert hij het naambordje subiet. Het huisje blijft geinig gelegen, op een rustig plekje. Maar je zult taxichauffeur zijn. Wij hebben een sociale inslag, houden heel vaak rekening met anderen en zeulen dus onze koffers alvast bijna driehonderd meter naar het kruispunt, waar de Hondsbosseweg daadwerkelijk als Hondsbosseweg met een straatnaambord staat aangegeven.

Om klokke 13.20 uur precies rijdt een achtpersoons busje op de geur van onze verhuisinspanningen en vakantievoornemens af.

“Ik heb het verderop gevraagd”, zegt de chauffeur. “Maar uw huisnummer wisten ze niet thuis te brengen. Bestaat dat nummer wel? Want waar komen jullie nu vandaan?”.

Ondanks reusachtige scheuren in de voorruit van het gedateerde busje - wij zijn de enige passagiers - arriveren we ruim op tijd op Schiphol. Voldoende tijd om in vertrekhal 3 in te checken. Erna’s koffer van zestien en mijn koffertas van acht kilo leveren tezamen geen probleem op.

We hebben ruim tijd voor een drankje en Italiaans broodje zalm. Het is vakantie.

On the move

Reizen is voor even je huis kwijt zijn. Dat zijn wij gewend, binnen een half jaar sjouwen we voor de zoveelste keer onze boedel naar onbekende bestemming in onze provincie. We nemen niet de tijd om terrein te verkennen, kiezen bewust voor een aansluitende vakantie om van de beslommeringen bij te komen.

Op reis naar Tenerife zijn we onmiddellijk weer ons huis kwijt. Het vliegtuig neemt de plaats in, vier-en-een-half-uur door de lucht. De reisduur is geen probleem, we zijn al eens naar Nieuw Zeeland gevlogen. Verzorging onderweg is - tot onze verbazing - ook pico bello. Pasta, broodje, drankje smaken voortreffelijk. Maar de buren …

Erna naast mij aan het raampje ter rechterzijde, mijn linker buurvrouw de weg naar het gangpad versperrend. Haar arm in wijde mouw schuurt, schurkt en stoot steeds tegen mij aan, hoewel ik de leuning niet belast. Mijn voorganger schakelt zijn stoel onrustig in z’n achter-, dan weer in z’n vooruit. Een vrouwelijk stel achter ons - treffen wij weer - pakt steevast onze rugleuning vast, klapt het tafeltje ertegen en hort en stoot met knie, voorhoofd of welk lichaamsdeel ook tegen onze rug. Ineengekrompen in nauwe schulp neem ik mij voor om geen vlieg kwaad te doen. Erna kijkt naar buiten, waar geen vogeltjes fluiten …

Op Tenerife vinden wij onze koffers terug. We speuren naar onze huurauto, gecamoufleerd door de aard van de Spaanse verhuurder. Zijn kantoortijd is om, kantoor is gesloten, dus vergen autosleutels en papieren achttien euro extra. Cash. De tank blijkt niet vol, maar voor 98 procent met lucht gevuld. Dat stinkt (niet). 

We deponeren onze bagage in de achterbak. Achter het stuur wil ik mijn rugzakje op de achterbank hevelen. Mijn stoel buigt niet mee. Zoeken, trekken, duwen, geen beweging.

Zegt Erna: “Je kunt toch uitstappen en gewoon de achterdeur open doen”.

Klojo die ik ben. Weet ik veel dat we in een vierdeurs Renault Clio zitten.

Wanneer je in het donker door veel haarspeldbochten buiten het seizoen een kleine honderd kilometer naar de andere kant van het eiland Tenerife wilt, is het raadzaam jezelf al bij het vliegveld van verse brandstof te voorzien. Om zeker te zijn dat je vooruit kunt. Eerst tanken, dan naar onze bestemming koersen, universele logica.

Ons huis voor even kwijt treffen we opnieuw een boerenhofstee. Moeder-de-vrouw des finca's wacht ons met haar schone dochter op, ondanks het late uur vriendelijk lachend. ‘Was ik solo op reis, begon ik hier meteen een B&B. Inclusief receptioniste’, flitst door mijn hoofd. Ik rem de Clio af, Erna mijn gedachten.

Ons onderkomen is riant, twaalf bij zes meter huis-, slaap-, badkamer en keuken. Op z’n Spaans betegeld met zalmroze gemarmerde estriken van dertig bij dertig centimeter. Oppassen om niet uit te glijden, porseleinen kopje goed bij het oortje vatten. Huis voorlopig kwijt, verblijfplaats prima-de-luxe. 

De oceaan ruist op de achtergrond een enorme rust. Pasen in aantocht. In de kamers zijn alle muren eigeel geschilderd. Charmant decor.

Heilig weekje

Ondanks aankomst rond middernacht staan we niet eens zo laat op. Om tien uur meteen naar Garachico voor de broodnodige boodschappen. Echte dorpse rust heerst in smalle straatjes met huisjes voorzien van houten balkonnetjes. Autobussen hebben Spaanstalige lading gelost. Ze mogen niet in de kern parkeren, staat alom aangekondigd. Vanavond vult de ‘Procesion’ de dorpsroute.

Een oude baas veegt bij de grote kerk sigarettenpeuken op. In mijn antieke Spaans vraag ik: “Fiesta este noche?”.

Hij kijkt me onderzoekend aan. “Semana Santa. Procesion”.

Het winkeltje voor onze inkopen is om de hoek.

“A la derecha”, geeft het manneke aan.

We slaan eerste levensbehoeften in, optocht van wijn, fruit, yoghurt, kaas, ham, brood. Juist in andermans huis moet je aan gefermenteerd druivensap, gepasteuriseerde laat staan gesteriliseerde melk is non potable.

Vanuit ons domein zien we bananenplantages, op het oog verdord. Soms een verdwaalde kam van een meter. We zijn niet op hoogtestage, gaan niet joggen, koolhydraten kunnen ons dus gestolen worden. Erna zakt in haar kuipstoeltje onderuit, burka tegen felle zon over haar hoofd, blonde kuiten bloot. Va-kan-tie! Het zonnetje lonkt, schijnt, verlicht, de blauwe oceaan glinstert in uitdagend azuur met een rand van schuimwitgolvend geweld. De thermometer stijgt naar twintig heerlijke graden. Salamanders van soms wel dertig centimeter scheren langs de muurtjes. Donkergroene tot zwarte puisten dekken ons op het terras in de rug, het bergmassief van de Teide.

Onze knip(kaart) gebiedt om buiten de deur te eten. ‘El Pescador’ in een achterafstraatje oogt lekker ontspannen. Het bord voor de ingang meldt een goedkoop dagmenu. In drie gangen komen Canarische specialiteiten aan ons voorbij. 

Erna verkiest vissoep met een mossel en een gamba. Dan zeebaars met pappas arrugadas, ongeschilde in zeezout gekookte aardappeltjes, voorzien van twee potjes mojo, groene en rode saus. Tot besluit volgt haar toetje van chocolademousse met platano (banaan), waarop een stevige toef slagroom uit spuitbus. 

Ik neem bacalhau (stokvis), die erg zout smaakt. De ontdooide vis heeft twee gamba’s en een langoustine aan boord, zeevruchten waarvan je vingers zo geparfumeerd gaan geuren. Mijn aardappels zijn ook in de schil gelaten, maar zacht gekookt. Zonder zeezout. Dat is naar de geconserveerde kabeljauw doorgesluisd. Een schotel gezonde gemengde salade lacht naar ons allebei. Ik bestel tiramisu toe, een proefhapje gaat naar Erna. De witte huiswijn delen we, ik een slokje meer.

Garachico is niet klein te krijgen door de gesmolten lava die in 1706 naar binnen stroomt en een groot deel van de havenstad verwoest. De bevolking herbouwt haar stad tot charmant stedelijk erfgoed. Lavarotsbaden zijn een aandenken aan de vulkaanuitbarsting van drie eeuwen geleden. Een verborgen juweel ligt aan de Glorieta de San Francisco: La Quinta Roja.

Wij zitten langdurig na in de patio van het dieporanje landhuis.

      * * * * *

Garachico, Semana Santa 2007:

!Oh cruz fiel, arbol

unico en nobleza!

Jamas el bosque dio

mejor tributo en hojas,

en flor y en fruto.

!Dulces clacos!

!Dulce arbol donde

la vida empieza con un peso

tan dulce en su corteza!

                                                       * * * * *

Grillige Gigantes

Garachico is een dorpje tegen een heuvel aan de noordkust van Tenerife. Bebouwing is laag, voornamelijk witte en authentieke huisjes met houten balkons aan smalle, hellende keienstraatjes. In de oude kern staan gemeentehuis en kerk aan een sfeervol pleintje met bankjes, waar wij spelende en aan hun kont krabbende kindertjes een half uurtje gadeslaan. Simon Bolivar - standbeeld op dit ‘Plein van de Vrijheid’ - kijkt ook toe. Hij ziet een van de kinderen in een verscholen hoekje door de knieën zakken en haar hoognodige plasje lozen.

Als de avondklok tegen achten wijst, zakt de zon uit beeld, wordt de wind frisser en verdwijnen onze lust en geduld om de ‘Procesion’ af te wachten. We begeven ons door de autovrije straatjes naar ons onderkomen. Zonder het religieuze evenement te hebben aanbeden vallen we na enig lezen en een enkel kruiswoordpuzzelwoordje invullen als blokken in slaap.

Ooit was Puerto de la Cruz de haven voor de rijke zakenstad La Orotava in het achterland. Wij zoeken het in de jaren 1960 ontpopte belangrijkste toeristenoord van Tenerife op. Lelijke, hoge hotels ontsieren de skyline, gemêleerde drukte staat ons tegen. We blijven niet lang, keren terug naar ons appartement, waar we luierend van een verder autoloze dag genieten. Beetje lezen, beetje schrijven. Erna sudokuut er op los.

Op nog geen twintig kilometer van ons verblijf ligt Punta de Teno, het noordwestelijkste puntje van Tenerife. De vuurtoren staat in verlatenheid tussen zwarte en bruine lavarotsen, waartussen vissers hun exquise maaltje uit zee proberen te hijsen. Knalgroene vetplantjes vallen op in fel zonlicht, ze doorbreken het gitzwart van de ruwe vulkaanstenen. Op verre hoogte staat een grote gele blokkendoos. Wie daar woont, heeft vast en zeker geen hinder van zijn buren. Boodschappen doen is wat lastiger.

Om de hoek, in de richting van Los Gigantes, steekt een half dozijn uitgeschuurde hoge grillige bergkammen z’n neus in de woelige zee. Het lijken grof uitgehouwen koppen, die de blik op eindeloze emigratie naar verre oorden richten. Zeedampen waaieren als rookpluimen van sigaretten tussen de barranco’s vandaan richting zee. Voor rust en natuurgenot kun je beter hier blijven, in ieder geval rond de klok van elven, koffietijd. Hoewel enigerlei voorziening daartoe in geen velden of wegen valt te bekennen.

De rust is nog niet eens volledig in mijn hoofd neergedaald of een krakkemikkig en geblutst bestelautootje dient zich aan. Twee jochies stappen uit, zetten hun gettoblaster op het dak van het geparkeerde koekblik en draaien de volumeknop open. Ongevraagd mogen wij meegenieten van deinend Macarena-gestamp. De bastaarden. Buurman La Gomera lacht ons buiten gehoorsafstand, van achter een behaaglijke wolkenrand met zwarte kruin, geanimeerd toe.

Op het vrijwel uitgestorven Punta de Teno wordt aan de infrastructuur gesleuteld. Voor hoogbouw ten behoeve van massatoerisme? Voor hotels, cafe’s, restaurants? De grond waar wij staan, wordt omgeploegd. Komt er een betonvloer te liggen? Wij achten bewerking van de bodem hier misplaatst. Geruststellende rust zal verdwijnen, alom om ons heen groeiende kandelaarswolfsmelk eveneens. Dat moet men niet willen.

Todo tranquilo

Punta de Teno is een van de oudste overgebleven vulkanische uitlopers van Tenerife. Miljoenen jaren geleden spuwde dat waarvan de Guanches geloofden dat het de duivel was, zijn gesmolten woede deze kant op. Nu staan hier sterke kliffen die zich in zuidelijke richting terugtrekken vanuit dit westelijkste puntje van het eiland. De omgeving heeft een ongetemd, wild gevoel dat nergens op het eiland wordt geëvenaard. 

En wij hebben het Teno-massief niet eens beklommen …

Op de terugweg stoppen we nog voor zo’n zwarte ‘Afrikaanse’ kop uit lavasteen geschuurd, zeg maar ‘Black Boy’, die de oceaan bestudeert. Het is Mirador de la Monja. In het felle zonlicht steekt hij als een halve maan - schaduwzijde pikzwart - prachtig af tegen het donkerblauw van de oceaan en lichtblauw van de hemel. Zes windmolens op rij wuiven hem koelte toe. Zij wekken slechts nieuwsgierigheid op. Op dit verlaten plekje in de bocht, waar het lastig parkeren is, heeft iemand zijn fototoestel op een stenen bankje laten liggen. Liggen laten, luidt ons devies. Wellicht keert de rechtmatige eigenaar terug, en anders hoeven wij er geen schuldgevoel aan over te houden.

Door de stedelijke spreiding is het moeilijk te zeggen waar Buenavista del Norte eindigt en Los Silos, vier kilometer verderop, begint. Je merkt in ieder geval wel dat je je in een bananenlandschap (van een koninkrijk, Spanje is geen republiek) bevindt. Waarom hebben wij eigenlijk bananen in de supermercado gekocht? Krom, krom, krom …

Op het centrale pleintje van Buenavista d. N. drinkt Erna haar gebruikelijke cafe con leche, waar ik mijn even zo gebruikelijke cerveza tegenover stel, dit keer een pijpje Dorada. Gitaarmuziek klinkt vanachter de bar onder de muziekkoepel naar buiten, duiven storten zich uit de omringende laurierbomen omlaag om hier en daar hun graantje mee te pikken. Het is het gemoedelijke Spaanse leven, met veel geklets en allerlei soorten geluiden dwars door de muziek heen. ‘Todo tranquilo’, uiterst gemoedelijk dus. En het zonnetje brandt, en brandt, en brandt.

Het is twaalf uur, de kerkklok slaat het precies. Bij wijze van ritueel slaat een zeer gebruinde, invalide man in zijn rolstoel voor de ingang van het kroegje - hij kan er simpelweg niet naar binnen - zijn bestelde neut in een keer achterover. Aansluitend wisselt hij wat muntjes uit met de ober. Plots start een reusachtig tromgeroffel van kerkklokken dat minstens een minuut lang aanhoudt. Even stilte, dan nogmaals. Het is geen gevoelig carillon, meer een metalig klinkende tamtam die in rap tempo de laatste nieuwtjes doorseint.

Aan de slotklanken is het weerbericht af te luisteren: son, son, son. Net wanneer wij denken ‘Hoe vaak zullen ze het herhalen?’ start een derde lawaaigolf. Is dit computergestuurd?

De allerlaatste slagen klinken als vuistslagen. Tamtam, Bambam, bis bis, luider, luider. Om vijf over twaalf herpakt de gitaarmuziek zich. Het klokgelui dempt, valt stil. Een tiener schuift een helm over zijn oren. Zijn brommer geeft gas, de uitlaat blaast als schuiftrompet een hymne vol vurige voetnoten in opzwepend ritme van een flonkerende flamenco.

Po, pauw, plasgoot, pikante worst

Onder druk moet Erna haar gefilterde koffie kwijt. Zij gaat naar binnen om naar de po(t) te vragen. De barkeeper verwijst naar buiten, naar de bibliotheek aan de rand van het pleintje. Uit rap Spaans met handgebaren vertaalt ze dat de sleutel op de eerste etage hangt, waarmee zij op twee hoog haar plasje kwijt kan. Klaterend van de lach keert ze met dit verhaal terug. Wij plassen nooit in een bibliotheek, zeker niet in een Spaanse.

Op het terras staat een diepvrieskist met overheerlijke ijsjes in de volle zon. ‘Crocante y almendrado y mas’. Til de klep op, neem een verkoelende duik, kies en reken binnen af. Klantenvertrouwen is er groot. Om tien over twaalf rammelt de kerkklokkenluider nog enkele slagen. Waarom? Wil hij melden dat hij nog steeds op zijn post is?

Even buiten Garachico passeren we Mirador de ‘El Emigrante’. De naam zegt het: van hier konden vrienden en kennissen emigranten naar Amerika zien vertrekken. De gebeeldhouwde emigrant zeult een vijftal uit beton gehakte koffertjes achter zich aan. Die moeten hem heel wat overgewicht hebben gekost. In ieder geval inspanning.

Aankomst bij Masca, bergdorpje op zeshonderd meter hoogte, is theatraal, zowel vanuit het noorden als vanuit het zuiden. Een lange kronkelweg leidt langs fantastische uitkijkpunten. Je ziet voortdurend de Barranco de Masca, het ravijn waarin het gehucht ligt. Het uitzicht op zee is grandioos. Een terraza is zo perfect gelegen dat het lijkt alsof de ondergaande zon door het ravijn in de oceaan zakt.

De kern van Masca loopt uit in een richel die op een tong lijkt. Hij is tot het midden van het ravijn uitgerold. Aan beide kanten van deze onbeschaamde lik aan het landschap, prachtig bezaaid met boerderijtjes en palmbomen, storten humorloze ravijnwanden de diepte in.

Wij hebben de route vanuit het noorden naar Masca genomen. In het dorp aangekomen dreigt tussen twee oprijzende bergrotspartijen door uit de donkerte van de zee het eiland La Gomera ons als een angstaanjagende demon te overvallen. Onderweg hield het andere ‘monster’ La Palma zich op afstand ten minste een beetje gedeisd. Het uitzicht is imposant, ook dat op Masca zelf. Parkeerplekjes zijn niet meer te vinden, elk hoekje en gaatje is gevuld. Toch word je niet onder de voet gelopen. Ik slaag erin ons huurkarretje op z’n zij, op twee wielen dus, in de plasgoot langs de weg tegen de bergwand te hangen.

In Masca ademt alles het einde van de wereld. Een stoere pauw komt ons begroeten. Onder palmbomen genieten we rugdekking van een reuzehoge zwartstenen hoed met halverwege een rand van rafels als orgelpijpen. Wat creëert Moeder Natuur toch allemaal!

In ‘Casa Riquelme’, angstaanjagend mooi erkertje, serveert Riquelme ons een schaal tapa’s van rauwe ham, kaas, pikante worst en olijven. Dat doet onze ‘lekkere trek’ deugd, bij het traditionele biertje en een verrassend glas tropicana. Met zijn tarieven weet Riquelme goede raad. Dat is hem in deze ver-van-de-bewoonde-wereld contrei gegund.

Los Silos, losse surfers

Vanuit Masca wagen wij ons niet aan een afdaling te voet naar zee. We inhaleren het panorama vanaf ons eetbalkonnetje, waaraan een halfrond tafeltje hangt, mozaïekig ingelegd met stukjes straatsteen. Een schroef verankert het blad aan een lichthouten hekwerkje dat ons van tientallen meters diepte scheidt. Adembenemend. Ook hier, ver van de begaanbaar bewoonde wereld, blijkt het onmogelijk om stilte te laten zegevieren. Twee Engelstalige echtparen op leeftijd nestelen zich als een kwartet kwekkende kwartels met accent vlak naast ons. Hun snaters staan niet stil, niet bij het nuttigen van hun tapa’s, niet onder het roken van hun stankstok die sigaret heet.

Glurend door de spelonk - Barranco de Masca - zien wij een bootje langs de kust. De opvarenden genieten in de verre diepte ongetwijfeld wel van oorverdovende stilte. Dat zal ’s avonds en ’s nachts bij Masca-bewoners niet anders zijn. Een roofvogel suist plots over ons heen, loerend naar een stukje Chorizo. Of naar de Canarische duif, die wij op het dak met opvallend glimmende purperen nek de zon zagen aanbidden. Kat en hond komen ook nieuwsgierig langs. Onder gebiedende dwang van mijn voet degradeer ik de inbrekers tot verschoppeling. Heel klein kon ik al een aardig balletje trappen.

Bijna terug in Garachico blijkt tot onze verrassing een supermercado even voorbij onze finca gevestigd. Groot en goedkoop. Het voedseleldorado ligt een kilometer van ons onderkomen, in de richting van het schattige Los Silos. Voor weinig euro’s hebben we veel keuze. Deze zaak is stukken voordeliger dan eerder, toen ik in het dorp wat blikjes bier - Dorada - insloeg. Wij zullen vaker in deze ontdekking terugkeren, anders dan het Hollandse stel - ervaren Tenerife-gangers - dat zijn inkopen liever in Puerto de la Cruz, dertig kilometer verderop, blijft doen.

Een avondwandeling in stralende zon leidt ons via de achtertuin vol bananen naar rotsen langs de branding van de oceaan. Het lavagesteente is steil, grillig, grotendeels ontoegankelijk. Strandwandelen is levensgevaarlijk. Op de terugweg loeren de doden van Garachico vanuit betonnen flatgebouwtjes, vier etages hoog, sommige opgefleurd met een tuiltje bloemen, in zwijgende belangstelling naar ons. Zij luisteren in ruste naar het eeuwige gezang van de oceaan die de kust beklopt. Als een meeuw op een rots staar ik over woelige baren naar de einder. Ik ontwaar acht stippen. Golfsurfers pogen hun rijbewijs te bemachtigen.

“Dat zijn boeien”, beweert Erna stellig.

Ik sla de pogingen geboeid, maar onzeker gade. Ik twijfel. Iedereen kan de plank mis slaan. 

Ik draai me om, de zon verblindt.

“Die slinger hebben we zigzaggend gereden”, wijst Erna naar een berglint.

Ik zet mijn zonnebril op. Op de top - vijftienhonderd meter - schittert een machtige villa tegen avondlijk hemelblauw.

“Het is eenzaam aan de top”, mompel ik. Ik fabuleer de parapenter die hangend onder een luchtbed uit zijn slaapkamerraam springt.

“Wel schitterend uitzicht”, concludeert Erna.

“Maar je zult vers brood moeten halen”, werp ik, die thuis de boodschappen doet, tegen.

Deze avond gaan we bijtijds slapen. De zingende zee wiegt ons muzikaal.

Strelizia, stilte

Goede Vrijdag brengt opnieuw stralend weer. We willen naar El Sauzal. Aan het eind van de heilige week - Semana Santa - rijdt chauffeur ‘San Pedro’ via Autopista del Norte - 120 kilometer per uur toegestaan - langs San Nicolas en Santa Ursula in de richting van heilig kruis Santa Cruz. We krijgen het niet opgespeld, passeren de kruispoort - Puerto de la Cruz - en dalen voorbij La Victoria (eerbetoon aan de voormalige ‘crack’ van de Hilversumse HC&FC) neer in de stilte van El Sauzal.

Onderweg draagt de Pico de Teide nog een witwollig petje, bij aankomst heeft hij dat afgeblazen, hervormd tot wolk grijze sigarenrook. In El Sauzal huist Miradora de La Garanona, een weelderig begroeid parkje vol plantensoorten. De tuin hangt op een rand, zo’n driehonderd meter recht boven zee die nu nog in ruste is, al lijkt zijn schuimwitte rand in de diepte verandering aan te kondigen.

Ik nestel mij op een rondstenen bank, om een yuca heen gedrapeerd, naast een door Erna aangewezen strelizia die zijn oranje blaadjes omhoog en een groene scherpe bladpunt van mij af priemt. Tot mijn geluk, want de messcherpe pijl kan met gemak een hart doorboren. De kleurrijke huisjes van El Sauzal hebben een fantastische view over de oceaan. Op een bordje lees ik ‘Se vende’, ik noteer het telefoonnummer.

“Geintje”, plaag ik Erna een poquito. “Ik ga heus niet bellen, hoor”.

Vandaag heeft bellen trouwens geen zin, het lijkt voor de eilandbewoners een vrije dag, zo stil is het. Dat blijkt bij navraag ook voor de meesten, die op Tweede Paasdag wel werken, dag die op Spanje’s vasteland weer als feestdag geldt. Met name in Barcelona, wordt hier met nadruk gemeld. El Sauzal - pueblo en flor - is een stadje in bloei. Kwart voor elven, zalige rust. Het is hier plant- en bloemrijk, wij voelen ons alleen op de wereld. Allemachtig machtig hoog en droog.

Onderweg valt op dat meerdere joggers en wielrenners zich over het asfalt langs de kust voortspoeden. Geef mij ons duingebied met oerossen maar, om je lijf af te beulen. Hier op de snelweg lijkt uitstoot uit het achterste van heilige koeien minder gezond. Er rijden er nogal wat. Iedere Spanjaard neemt de auto, blik raast in overvloed langs, brandstof is stukken goedkoper dan bij ons, zowat de helft. Spelregels zijn ook anders. Snijden is onderdeel van het voortracen, dat moet je niet al te nauw nemen. Het viel mij eerder op: ons eigen land is overbeveiligd. Hier val je - geen afscheidingshekje te zien - makkelijk in welke diepe kloof dan ook. Of je nu in een grillige barranco vertoeft, of over gecultiveerde pleintjes of boulevards loopt, waar her en der flinke gaten of zelfs spelonken valkuilen kunnen zijn.

Het witte kerkje van San Pedro - de apostel - staat vredig aan zijn pleintje met begroeiing. Stenen bankjes bieden een mooi panorama van de oceaan en de naar boven priemende Teide, dit keer met een hangsnor. Binnen in het heiligdom aanbidden gelovigen mijn naamgenoot in serene stilte.

In een hoek van het kerkplein scheldt een zestal zich vervelende Spaanse pubers elkaar voor rotte vis uit. Cabron! Capullo! Bacalhau? Schelvis? Op de hoek nemen wij een kopje koffie en een pilsje, bij elkaar voor twee euro. Dat levert frisse moed om in de richting van de Teide te koersen, met de bedoeling om de orgelpijpen te beluisteren - Los Organos. We missen echter de richtingbordjes - slordigheidje van chauffeur - en na een tijdje stijgen beseffen we dat je veel looplust moet hebben om een wandeling te maken. Die hebben we even niet, verwend als we zijn met bergmassieven uit de West-Amerikaanse nationale parken op ons netvlies.

Ten tijde van de Guanches wordt Valle de La Orotava (vallei) al beschouwd als een van de rijkste landschappen van Tenerife. Spaanse kolonisten trekken hier naartoe, het dal is nog steeds een luxe boerenoase. De stad La Orotava, met het best bewaarde historische centrum van de hele archipel, komt in de 18-e eeuw tot bloei als belangrijke families uit La Laguna hier komen wonen en de rijkdom, die zij met hun wijn hebben verworven, aanwenden om landhuizen en kerken te bouwen.

In La Orotava heeft de menselijke uitstoot van de net afgelopen processie onze drang om langdurig in de auto te zitten naar de zevende hemel gezonden. Maar uitgebreid wandelen hoeft dus ook weer niet, want het is 12.30 uur. Etenstijd dus. Dat is op het terras van een goed aangeduid restaurantje te zien. Alle tafels zijn bezet, spelende kinderen te over.

Hoewel we flinke trek hebben, daagt dat adres ons niet tot bunkeren uit. We sturen bij en maken rechtsomkeert. Naar de top van de Teide komt een andere keer wel aan de beurt. In Aquamansa stoppen we bij Bar Restaurante ‘Cruz de Tea’. Het is tamelijk klein, lijkt onbezocht, maar het terrasje met knalblauwe plastic tafeltjes en stoeltjes lokt. Uitzicht op zee in de verre diepte en - Erna ontdekt ze in de schaduw - aan de andere zijde de donkere silhouetten van orgelpijpen. Los Organos in het vizier.

Zo zitten we muy bien aan gemengde salade, die een biefstukje - nou ja, stukje, zeg maar gerust stuk - voorafgaat. Slechts het geluid van een gele kanariepiet en twee wat grotere soortgenoten, ieder in hun eigen kooitje aan de dakrand, begeleidt onze maaltijd. Zij vormen een waar huisorkest, de orkestbak getralied tegen de okergele muren van het barretje geplakt. Let wel, in de volle zon. Het dakje van de kooi bestaat uit een tussen de tralies gefrommelde reclamefolder.

Het is ongelooflijk maar waar, van de vijf tafeltjes en twintig bijbehorende stoeltjes zijn alleen de onze bezet. Terwijl de breeduit platgeslagen, toch dikke biefstuk - biftec de Res - toch prima smaakt, met reepjes patatas erbij. Als wij in Garachico terug zijn, beginnen veel Spanjaarden aan hun maaltijd, zo rond 14.00 uur. 

Garachico is op deze vrije dag, met een lang weekeinde als gevolg, tot een ‘gekkenhuis’ verworden. Geen parkeerplaatsje is meer vrij. Wij zullen onze ansichtkaarten op een ander moment moeten kopen.

Bij ons appartement staan de auto’s vanwege het belendende restaurant Ribamar tot aan ons toegangshek geparkeerd. Wij kunnen er net tussendoor. Erna schuift het hek open en San Pedro rijdt de riante binnenplaats vol parkeerruimte en ficussen, yuca’s en eucalyptusbomen binnen. Achter onze rug sluit de poort ons af van het kippenhok met de naam Ribamar, tot de nok toe gevuld met kakelende Spanjaarden die hun maaltijd naar binnen werken.

Deze Goede Vrijdag is de beste sinds tijden. De hele dag schitterend weer, een namiddag en avond om te zoenen. Wij prijzen onszelf de hemel in, van waaruit twee hanggliders achter onze rug neerdalen. Tot bij achten hebben we op ons terras van de zon genoten, zo’n beetje tot de laatste planksurfer het water uitstapt. En die jongens weten het lang vol te houden, die kunnen er geen genoeg van krijgen. Moet je bedenken dat hun oceaangolfjes vergeleken bij die van Robbie Naish in Hawaii nauwelijks iets voorstellen.

“Soms begrijp ik niet waarom zij niet op zo’n hoge golf stappen”, oordeelt Erna in in mijn ogen volledig terechte wijsheid omtrent kennis van zaken in het planksurfen.

Voor wij het Paasweekeinde ingaan eerst nog maar even boodschappen doen in de supermercado ‘om de hoek’. Dit houden we niet voor mogelijk: todo tranquilo. Keuze te over en amper klanten, heerlijk. Bij de bedieningsafdeling voor vleeswaren en kaas moet je een volgnummertje trekken. Het venster wijst 34 aan, ik trek een bonnetje met 46. Er staan twee klanten, van wie er een wordt geholpen. De ander trekt na mij nummer 47. Als de eerste klant bediend is, vraagt de medewerkster in snel Spaans wie aan de beurt is. Het venster blijft gewoon op 34 staan, mijn buurvrouw laat haar bonnetje met 47 zien. Ik toon bonnetje 46 en krijg - in eerste instantie - voorrang.

“Twee ons jambon, por favor”.

“Doscientos?”.

“Si, si”.

De winkeljuffrouw pakt een grote bonk ham om plakken af te snijden. Dan nadert een andere klant uit de diepvriesbuurt verderop. Zij showt bonnetje nummer 45.

“Ik ben aan de beurt”, meen ik te verstaan.

De grote ham gaat terzijde, uitgebreide discussie volgt. Ik laat de polemiek passeren, zou het handiger vinden om op het toonbankknopje te drukken, 34, 35, 36, … , 43, 44, 45. Leg dat als Hollander maar eens in vlot Spaans uit. 

Hoewel de tweespraak niet is afgerond, krijg ik het voordeel van de twijfel. Dat voelt als een voorkeursbehandeling, een prerogatief. Vermoedelijk word ik ingeschat op slechts twee ons ham, waar mijn rivale weekendboodschappen voor haar hele gezin inslaat. Wat zeggen Tinerfenos ook al weer? “Todo tranquilo, todo tranquilo …”.

’s Avonds wandelen we nog wat door Garachico en doen de ene na de andere impressie op. Hotel ‘La Quinta Roja’ blijft de kroon spannen. Deze voormalige markieswoning - nu luxe hotel - huisvest schildpadden in de tuinvijver. Twee pittoreske patio’s sieren het pand. Elders in het dorp ontdekken we nog meer patio’s en een publieke tuin met put en bruggetjes. Dat wordt dus even stilstaan, reminisceren.

Fin de la Semana

We nemen in Garachico op een terrasje plaats en twaalf apostelen rollen op rubberen wielen achter ons langs. Geen skeeleraars, maar beeldende elementen uit de processie van Domingo, de slotdag van de Heilige Week. We vermoeden dat parochianen uit het dorp de optocht aan het voorbereiden zijn. De inwoners weten vast van de hoed en de rand, want over hun balkons hangen alom donkerrood getinte, geel gebiesde kleden om de route van de Procesion luister bij te zetten.

Het terras op Plaza Libertad draagt een gemoedelijk sfeertje. Geklets aan tafeltjes, achtergrondmuziek, voetballende toppertjes-in-spe, Ronaldinho voorop, in blauw-rode shirt van het Catalaanse Barcelona. Garachico, authentiek, gezellig.

San Pedro de Daute

Se funden las campanas cuando - ajadas -

dejan de proclamar su angeleria;

mi San Pedro de Daute: fundiria,

si pudiera, tus carne agrietadas

 

Tus moradas de ayer, apuntaladas

por el encanto de tu hechiceria,

si tuviera poder, las alzaria

a mansiones de azul, resucitadas

 

Asomado al cantil de la colina

por donde el horizonte se domina,

tus grandezas pasadas certifico

 

Cinco siglos de paz dictan tu historia 

y hay un gozo de luz que te da gloria:

origen y matriz de Garachico

                         (Carlos Acosta Garcia)

Pasen met bedekte hemel, grauwe regenjongens grijnzen. We ontbijten op ons gemak, appeltje eitje. Van de net opgestarte feestdag merken we niets. Rust en stilte heersen. Zelfs onze Hollandse buren - echte wandelaars - slapen nog. Dat constateer ik als ik na het douchen mijn handdoek buiten aan het droogrek hang. Gisteren hebben zij een uur of vijf in de buurt van de Teide gewandeld. Dat zit natuurlijk nog in hun benen, in hun hoofd, wellicht in hun hele lichaam.

Na de koffie rijden wij een kilometertje of tien naar San Marcos en zijn strand, vlakbij Icos de los Vinos. Grote flatgebouwen omringen een haventje aan de driekwart ronde baai. Vanaf een terrastafeltje op een roodwit bestrate promenade hebben we mooi zicht op zwarte strandjes, vissersbootjes, een uiteengevallen kleurloos betonnen Rubic-kubusje aan de rand van het water en ontluikend Spaans zondagochtendleven tijdens Pasen.

Om een uur of elf is het hoog tijd voor koffie en een biertje. We nestelen ons op eerbiedige afstand van de meters hoge kade, waar vissersbootjes liggen. Eentje komt uit zee aangevaren.

“Kijk nou”, zegt Erna, “ze hijsen hem de kade op”. 

Een groepje oude mannetjes kijkt toe. Ik ben ook altijd nieuwsgierig naar buit uit de oceaan, maar om mij tussen hen te wurmen moet ik een stevig eind omlopen. Bovendien vragen onze consumpties nog aandacht.

Na de opkikker inspecteren we de gemoedelijke strandjes van La Caleta en Los Silos. In de afdaling naar San Marcos maken we een stop om een literfles heilig drinkwater in te slaan. Dat lukt in de supermercado met helende naam ‘Lourdes’. De kerk van Los Silos staat op het punt onze doorgang te barricaderen. Hij loopt net leeg van de dienst op eerste Paasdag. We zijn juist op tijd om die drukte bij kerkdeuren en op het dorpsplein te ontwijken.

Dubbele draak

Waar in Nederland ook, of in Spanjes Barcelona, tweede Paasdag bestaat. Dat geldt niet voor Tenerife. Hier gaan mensen gewoon aan het werk, waar wij een vrije dag of vakantie genieten, in alle rust of in duizelingwekkende drukte van een meubelboulevard. Op nog geen tien kilometer bij ons vandaan doen wij het heel kalmpjes aan. Volgens ons reisgidsje herbergt Icod de los Vinos 2.100 inwoners. Hoewel ik denk dat de drukker of zetter een nulletje over het hoofd heeft gezien, oogt het stadje heerlijk stil.

In een steile wandrace van minstens zestien procent ontdek ik in een smal straatje een Clioplekje. Erna handgebaart dat ik twee centimeter voor de neus van de auto achter mij sta, terwijl mijn eigen neus om de hoek net een nauwer straatje ingluurt. Ik trek de handrem stevig aan, laat de voetrem los - niet vergeten bij terugkomst omgekeerde volgorde te hanteren - en de Clio zakt nog een centimeter naar achteren. Muy bien, ik sta dus ik besta. Nu aan passagierskant uitstappen, want links blindeert een hoge muur mijn portier.

We dalen wandelend geen honderd meter of we ontwaren een magistrale, zij het kreupele drakenboom. Alsof hij stokken onder z’n oksels draagt. Ze hebben metalen steunen onder een paar zijtakken aangebracht. Aan een metalen ring om de machtige stam leidt een kwartet kabels naar naburige huizen die een vierkante kring om de boom vormen. Zo blijft onze manke vriend overeind, al vertoont zijn voet aan de stam enorme horizontale eeltkloven.

Een Spaanse buurvrouw op een Spaans balkonnetje tuurt over de kruin van de drakenboom. In mijn beste Spaans schreeuw ik mijn pregunta: “Drago Millenario?”.

Met een wijsvingertje heen-en-weer ontkent zij mijn geringe topografische natuurkennis omtrent Icods attractie. “No, no, no”, in het rappe ritme van een autoruitenwisser. Waarna ampele uitleg volgt over hoe wij, linksom of rechtsom - we mogen zelf kiezen - bij de ware Milenniumdraak kunnen komen.

“Si, si”, stimuleer ik haar voordracht enkele keren.

We ontdekken de tuin, waarin je tegen betaling van enkele euro’s entreegeld de gerenommeerde boom mag aanraken. Van commercie zijn wij nooit zo buitenproportioneel gecharmeerd, hoe mooi de tuin van buiten het hekwerk ook lijkt. Om mooie dingen te zien, hebben we vaak een neusje om dat zonder betaling te kunnen doen. Verderop is het hek vrij close bij de boom, hij raakt ons. Het kennersoog van Erna voor bloemen en planten is eenduidig. “Die eerste, die wij zagen, doet niet voor deze onder”, klinkt haar oordeel. Ik vind na enig ijsberen langs de afrastering dat zij volkomen gelijk heeft.

Later bewijst een folder dat binnengaan van ‘Parque del Drago’ aan Plaza de la Constitucion toch de moeite waard zou zijn geweest. Dan had Erna haar plantenkennis via Latijnse naambordjes kunnen opvijzelen. Drago Milenario. Bosque termofilo. Carbonera. Cueva volcanica Momias. Los Menceyatos. Barranco de Sauces.

“Volgens mij is dat net zo Spaans als wat hier staat”, leg ik uit. “Kijk maar: Entrada, Centro de Visitantes, Mirador. En hier is de uitgang: Salida.

Alkmaar en het Ayuntamiento

Icods Parque El Drago is mooi, zoals Parroquia de San Marcos ook mooi is met een tweelingboom, waarvan enkele takken met beide stammen zijn vergroeid. Of het een ficus is of een andere soort, weet ik niet meer. Wel herinner ik mij dat hij imposant is, en grijs, vooral het houtwerk. Zo grijs als de wolken die tegen Icod plakken, zoals Icod op zijn beurt tegen het bergmassief kleeft. Af en toe valt een zachte druppel, alsof je een drupje uit een glas morst.

“Wein pruefen?”, vragen twee lachende Spaansen schonen mij, als we door een van de straatjes vol kitsch, wijn en mojo’s passeren. En natuurlijk een gigantische uitstalling aan toeristenattributen als mini-drago’s, ansichtkaarten op placematformaat en wat niet meer.

Elf uur op de klok is koffietijd, daarvoor hoef ik Erna niet naar de door haar gewenste versnapering te vragen. De twee ons escorterende senorita’s lach ik toe, hen wijsmakend dat zij nog wat geduld met ons moeten betrachten. Als tegengeluid valt meteen een groenwitzwarte klodder mosterd op mijn T-shirt-bedekte schouder, en hij glijdt tergend traag naar m’n blote onderarm. Getver … De dader laat zich niet zien, wel horen. Het kan geen kookaburra zijn, want dan zou ik me helemaal de risee voelen, nu half. De dames houden het niet, proesten het uit. Ik versta iets over geluk, … feliz.

“Si, si, van boven, van Santa Cruz, San Marcos of welke San ook”. Ik vergeet San Pedro te noemen, maar je moet je eigen nest ook niet willen bevuilen. Ik verlang erg naar een ‘servizio’, nog voor het bakje koffie.

Het valt ons op dat de straatjes van Icod ruimte geven aan veel Spanjaarden. We zien slechts een enkele Duitser en Engelsman of -vrouw. Geen Nederlanders, eigenlijk tot onze vreugde. In de Officino Touristico treedt ons een donkerharige, zwartogige Spaanse tegemoet. 

“Moechten Sie Information?”, kwelt zij ons. Meestal geef ik niet onmiddellijk antwoord. “Are you English?”, tolkt ze voort.

“No”, schudt mijn hoofd.

“Ah, Nederlands”, gokt Yolanda raak, “wat leuk, ik heb acht jaar in Nederland gewoond”.

De cheffin van het Spaanse VVV-kantoor is als tweejarig kind met haar ouders naar Alkmaar afgereisd, zo klein blijkt de wereld die ons uit Kennemerland naar haar geboortegrond Tenerife brengt. Haar vader heeft bij Hoogovens gewerkt - waar kennen we dat van? -, acht jaar terug zijn zij naar Icod teruggekeerd.

“Tu spreekt nog goed Nederlands, muy bien”, mengen wij ons door elkaar in het gesprek met haar. “Alkmaar, mercado de queso”. Een lach van herkenning straalt. Yolanda is onstuitbaar en reageert nog een kwartier door, vrijwel zonder onderbreking, in verduveld goed Nederlands, af en toe om een woordje vragend dat wij uit haar Spaans weten te vertolken. Wie onthoudt als rasechte Spanjaard nou het Hollandse woord voor ayuntamiento. De meeste Hollanders weten het woord vanuit onze taal in omgekeerde zin toch ook niet uit het blote hoofd! (Uiteraard weten wij als Spaanstalig geoefenden het gemeentehuis wel meteen naar voren te schuiven).

Paella en pappas 

Op ons terras probeer ik te schrijven, boven ons hoofd zoeken steeds meer druppels vanuit de oceaan hun weg naar beneden. Erna voelt zich geroepen om de was binnen te halen, de oer-Hollandse gewoonte getrouw. Van mij mag hij blijven hangen, het zijn luttele, sprankelende drupjes. Belangrijker, ik wil gewoon doorschrijven.

Onze hospita heeft het appartement gereinigd en van schone hand- en droogdoeken voorzien. We kunnen weer limpio vooruit. Door haar positieve oordeel over de cocinero (de kok, met k-o-k) besluiten we - vanuit ons tuinhek gezien op vijftien meter afstand - rechts om de hoek  te gaan eten. In de vanwege zijn goede kwaliteit en lage prijs alom bekend staande lokale vandervalkvariant Ribamar.

Nou, dat is een serieus succes. Zo hebben we op tweede Paasdag nog nooit gegeten. Onze hospita noemt twee uur p.m. als begintijdstip voor deze met wel dertig eettafeltjes gevulde eetzaal. Wij hebben echter rond half twee al hevige lekkere trek. Wat blijkt? We zijn bepaald niet de eersten, het geroezemoes zeilt ons tegemoet. De ober verwelkomt ons alsof wij regelmatig terugkerende gasten zijn. Dat wil hij ons uiteraard laten worden, zeker als we hem uitleggen dat wij buren zijn.

Voor ons Ribamardebuut wijzen we een vrijstaand tafeltje aan, helemaal achterin, dat door een glazen wand uitzicht op de achtertuin geeft, met daarachter de blauwe oceaan. Het mag van de ober, hij haalt het bordje ‘gereserveerd’ van tafel. De menukaart is in het Spaans, Duits, Engels en Frans. ‘Karaf’ klinkt overal hetzelfde en staat in een mum op tafel. De la casa? Si, si, prosit! Wat zullen we te eten kiezen?

Gezien de op vis georiënteerde inrichting van het restaurant - de rechthoekige, lange eetzaal heeft lichtblauwe wanden en een groot visnet aan het plafond met een krab en twee verdwaalde zwaardvissen erin - moeten we wel voor een schotel vol pescadores gaan. Grijnzend komt onze vriend langs en noteert hij de door ons gekozen paella voor dos personas. Denken we.

Even later keert hij op zijn schreden terug met de vraag of we de pappas op z’n arrugadas willen, wat zoveel betekent als met veel zeezout. Wij kijken elkaar aan. Paella met gekookte, zeezoute aardappelen? Heel bijzonder. Onze amigo heeft ons - Olandeses - verkeerd begrepen. Paella is helaas niet voorhanden, daaronder staat een gerecht voor twee personen dat hij heeft verstaan, ook beginnend met P - paparilla of zoiets. In ieder geval is het ook met veel vis, en dat is wat wij willen. Daar horen dus de pappas arrugadas bij.

“Vale senor, okay. Y een salada mixta de la casa, por favor”.

Wanneer hij het bestelde langs brengt, weten we niet wat we zien. Een zestal vruchtensoorten uit zee, gamba’s, mosselen, inktvis als een bolletje ei met pootjes, babysquid en nog twee types met graat. Daarnaast een royale slaschotel, bietjes, groene sla, wortelsliertjes, mais, ananas, olijven, ui en asperges. Plus - voor de hand liggend - een bord vol pappas arrugadas. Erna’s tante Anneke had als aardappelfan zo kunnen aanschuiven.

Eenvoudig, excellent eethuis 

“Dit eetschuurtje is vol”, puft Erna, terwijl ik de laatste gamba openvouw. Vis en zeevruchten lusten Erna en ik als geen ander. Anders dan van de zetmeel met koolhydraten blijft van het volumineuze zeemaal weinig over. Slechts van de gefrituurde babysquid resteert nog een heel klein beetje, waarmee wij bewijzen van babyvoeding geen kaas te hebben gegeten. De sla is op, de aardappelen voor de helft. Van het karafje is onderwijl nog een broertje neergezet, op speciaal adoptieverzoek uiteraard.

De ober heet Tuto, die naam krabbelt hij - als wij erom vragen - op een papiertje. Hij heeft de grootste lol met ons. Hardwerkend, gelet op z’n blanke huid niet geraakt door enig zonnestraaltje, tovert hij la cuenta tevoorschijn. Voor 37,50 euro is bij alles ook nog een cafe cortado inbegrepen.

“Tuto?”, vraag ik voor de zekerheid.

“Si, si, todo, es verdad”, lacht hij. Ik blijf hem ongelovig aankijken.

“Hasta mañana”, voeg ik hem toe.

“Mañana cierrado”, riposteert hij.

Ik weet dat het restaurant op dinsdag is gesloten - zijn enige vrije dag van de week - en herhaal: “Hasta mañana”.

Tuto staart me niet begrijpend aan. Ik help hem uit zijn lijden. “Hasta mañana, a la playa!”.

Een langgerekt, luid “Aaahhh” laat de hele eetzaal op- en omkijken. Wij staan op en bewonderen het uitzicht op de tuin, waar papaja’s en citroenen voor het grijpen hangen. Waar de huis-, tuin- en keukentrap bedrijfsklaar onder de bomen staat, een stuk beton als steunzool onder de onderste trede. De drie meter hoge muur scheidt het restaurant als een fort van ons onderkomen. De muurstenen rusten uit als luie rotsblokken, door een brede lichtgrijze cementvoeg stevig aaneen gemetseld. In en uit spleten zwermen kleine en grote hagedissen rond. Gekko’s? Ze klauteren lichtvoetig omhoog, omlaag en opzij. Kleefstof aan hun pootjes, dat kan niet anders. Bovenop de muur houden ze vaak bewegingsloos stil, in de volle zon turend naar het blauw van de oceaan. ‘Mirador de El Emigrante’. Aan de zijkanten van de muur spelen de reptielen tikkertje, alsof de verdediging van hun vesting nog moet worden geregeld. Of is de achtervolgende partij de binnengedrongen vijand die tot de aanval is overgegaan?

Ik schuif onze stoelen onder de afgeruimde tafel en onderwerp de vitrine achter mijn rug aan een nadere beschouwing. Hij herbergt enkele vissersbootjes in miniformaat, waaronder de TE851. Zij omringen een certificaat, waarop Restaurant Ribamar als winnaar van de 21e Premios de Gastronomia wordt betiteld en geprijsd. Terecht, naar onze mening. RR, de ‘Rolls Royce’ onder de Spaanse volkskeukens. Een soort ‘Jardin de Señora Juanita’, oftewel Johanna’s Hof.

Internet-review:

Yes, their paella is really excellent, by any standards. We had a dinner in the restaurant - 30 kilometres drive from our hotel. It was worth it. We tried fresh fish, very, very good. The service is not Waldorf Astoria-style, but friendly and straightforward, nothing wrong with it. We will go there again, certainly.’

Wij - Erna en ik - hebben ons op een tweede Paasdag nooit zo volgegeten.

Omhoog, omlaag, omhoog

Van Garachico slingeren wij ons in de richting van Los Gigantes, vijfendertig kilometer bochten heen en weer omhoog, even zo vele keren heen en weer omlaag. Hoewel de Teidetop in de mist hangt - voorbij Santiago del Teide goed te zien - lacht de zon ons ook vandaag weer tegemoet en doemt La Gomera voor onze neus op zwemafstand op. Boven deze donkere pudding met lichte cakevlekken ligt een even dikke laag slagroom, de rest van het heelal is vrijwel blauw. Bij Garachico glansde de oceaan als een spiegeltje. De rij witte wolken in de verte reflecteerden in de diepste diepten van de zee. Net het effect van een lachspiegel, dacht ik nog.

Het landschap is als het uitzicht: fascinerend. Ook de begroeiing is heel divers, helaas ontberen wij de broodnodige botanische kennis. Aan een kameeltocht - onderweg ontdekken we een oase met een stuk of vijftien woestijnschepen, herkauwend, lui op hun knieën liggend - hebben we geen behoefte. Net zo min als aan een fietstocht. We komen wel wielrenners tegen. Erna grapt dat zij nog liever gaat lopen. Mij maakt het als klimgeit niet uit, op de fiets of per benenwagen, als het maar uitputtend heet is. Heb ik geen bult op m’n rug voor nodig, laat staan twee.

In de afdaling staan even voorbij een onverwacht mobiel 40 km-bord enkele fluorescerende markeerstiften. Knal- maar dan ook knalgeel. Een viertal wegwerkers leunt op schop en houweel. Het volgende bord - ‘Werk in uitvoering’ aangevend - nemen zij bepaald niet serieus.

“Werkoverleg”, zegt Erna, die in haar werk met Amsterdamse wegwerkers heeft te maken. Ik denk er het mijne van. Liplezend constateer ik dat het hier over het weer en de voetbaluitslagen gaat.

Niet overal zijn de scherpe kantjes van de weg afgeschermd; in ons laaglandje zou dat beslist niet zo kunnen. In de bochten vallen mij hier de honderden donkerbeige ‘geldkisten’ van beton op, een alternatieve vangrail vormend. Verder in de richting van Puerto de Santiago zijn ze in de volle zon verkleurd tot lichtbeige. Kon ik ze maar leeghalen, droom ik mijn schaapjes op het droge tellend, maar ik kan alleen maar een tak van de boomheide, of is het heideboom, langs de weg plukken.

Een ezel rust onder een boom uit, een vrouw in klederdracht loopt met een baal hooi op haar hoofd in balans. Die goeie ouwe tijd. We koersen verder op het Tenerife van uitersten, op weg naar het mondaine leven van Los Gigantes, voorproefje van Playa de las Americas en Cristianos.

De zeer rustige sfeer doet ons zowaar een boulevardwandelingetje volbrengen, laat Erna een ansichtkaartje uitkiezen en zet mij voor een eurootje een half uurtje achter het beeldscherm om een mailtje te versturen, met Erna nieuwsgierig meelezend boven mijn getranspireerde nek. Ver van huis laten we altijd van ons horen.

Na een ontspannen avondje en een goede nachtrust zullen we genoeg energie hebben om een flinke klus te klaren: het beklimmen van de Pico de Teide. Ook al wordt er regen verwacht.


(Zie voor het vervolg: 'Tijdje terug, Tenerife')

Reacties

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!